Tagarchief: Rooms-Katholieke Kerk

‘Droef gemoed’ en ‘Ongeordende liefde’, Antoine Bodar over depressie en homoseksualiteit – recensie

droef gemoedRecensie:
Fahner, N. (2018). Droef gemoed. Nels Fahner in gesprek met Antoine Bodar over depressie. Utrecht: Meinema. En: Houtman, W. (2018). Ongeordende liefde. Wim Houtman in gesprek met Antoine Bodar. Utrecht: Meinema.
[9 maart 2018 in het Christelijk Weekblad, nr. 8 – p. 26]

In Droef gemoed schetst journalist Nels Fahner een intiem portret van de bekende Nederlandse priester Antoine Bodar. In de gesprekken die Fahner met de priester heeft gevoerd, vertelt Bodar over zijn terugkerende perioden van depressie. In prettig leesbare zinnen wordt de lezer meegezogen in het kwetsbare bestaan van een man die soms diep gebukt gaat onder zijn aanleg tot zwaarmoedigheid en zich desondanks niet door God verlaten weet. Over een periode van depressie zegt Bodar: ‘Ik voelde me zelfs zeer met Hem verbonden. Het heeft mijn geloofsleven dus eigenlijk verdiept, die periode.’ (p. 20)

Bodar moet zelf niet zoveel hebben van het woord ‘depressie’. Hij spreekt liever van ‘melancholie’ en vindt depressie een containerbegrip. Of het gegeven dat zijn kerk depressie als een zonde beschouwt (p. 9) hierin nog een rol speelt, wordt niet duidelijk.
Op een heldere en gestructureerde manier geeft Fahner in zijn bondige werk een schets van de bronnen waar Bodar zijn steun uit haalt. Naast de troost die Bodar haalt uit geloof, vriendschap en kunst, wordt ook ingegaan op de troost van de dood. De maatschappijkritische, intellectuele reflecties van Bodar op de dood zijn indringend. Bodar is in staat over de dood heen te kijken, naar een hoopvolle toekomst.

Met zijn maatschappijkritische opmerkingen, die uitnodigen tot verdere bezinning, bewijst Bodar het lezerspubliek een dienst. Zo gaat hij in op de vraag of het huidige maatschappelijke klimaat depressie bevordert. Hierin ligt meteen een belangrijke meerwaarde van het boek: het overstijgt Bodar’s persoonlijke relaas, terwijl zonder dit relaas het boek aan zeggingskracht zou hebben verloren.
Op een kunstige manier is Fahner erin geslaagd de belevenissen van Bodar af te wisselen met doortastende beschouwingen. Het reflectievermogen van Bodar op waar hij zelf doorheen moest en moet gaan, getuigen van een heldere waarnemingszin. De inkijk in het veelbewogen leven van ’s lands beroemdste priester heeft mij geroerd. Als op een prachtige pinksterdag de zon in Bodar’s leven weer een beetje doorbreekt, denkt hij: het is toch mooi om te leven. De lezer zal, door de crisismomenten van Bodar heen, in aanraking komen met de zonnestralen die de duisternis van hem weghaalden. Dat maakt dit boek een juweeltje en een bemoediging voor wie het spook dat depressie heet met zich mee moet dragen.

ongeordende-liefdeIn Ongeordende liefde gaat Wim Houtman, werkzaam bij het Nederlands Dagblad als redacteur kerk en opinie, met Antoine Bodar in gesprek over homoseksualiteit. Ongeordende liefde beleefde in 2006 zijn eerste druk. Door aanhoudende vraag verscheen dit jaar een herziene versie en daarmee de tweede druk van het boek. Een paar belevingen die in Droef gemoed staan beschreven, staan ook in Ongeordende liefde.

In tien korte hoofdstukken gaat Houtman in op onderwerpen als: de Heilige Schrift over homoseksualiteit, geaardheid of gerichtheid, richtlijnen uit het Vaticaan en pastoraat in de praktijk. Onnodige herhalingen ten spijt, is het Houtman gelukt om in kort bestek grote vragen rondom het thema homoseksualiteit een plek te geven.
Als lezer wens ik dat Houtman op bepaalde momenten had doorgevraagd. Om een voorbeeld te noemen: bisschop Gerard de Korte van ’s-Hertogenbosch was in 2017 voornemens om een gebedsviering voor Roze Zaterdag af te sluiten met een kort woord en een zegening van de aanwezigen. Onder andere Bodar heeft hier kritiek op geuit. Uiteindelijk heeft de bisschop onder grote interne druk besloten zijn toestemming voor het gebruik van de Sint-Jan, de kathedraal van De Korte’s bisdom, in te trekken. Volgens Bodar hoort ‘persoonlijke nabijheid’ (middels de zegening van de aanwezigen) thuis in de biechtstoel. Alleen in de biechtstoel, vraag ik mij dan af? Wat stelt de preekstoel voor als we daar niet kunnen zeggen, wat in de biechtstoel wel kan worden gezegd? Als een lam niet op de preekstoel kan en een leeuw niet in de biechtstoel, lopen leer en leven al snel uiteen.
Uiteindelijk wil Bodar dat een individu zijn geweten laat vormen door de kerk (p. 19), de kerk die hij altijd zal verdedigen (p. 93). Tegelijkertijd toont hij zich op punten niet gelukkig met de Katechismus van de Katholieke Kerk (p. 18).

Het boek bevat ferme stellingnames. Bodar, die zelf al lange tijd celibatair door het leven gaat, vindt dat mannen niet bedoeld zijn voor mannen (p. 18), hoewel hij ‘dankbaar’ is dat homoseksuelen een contract kunnen sluiten en hun bezittingen kunnen delen (p. 11, 35). En hij zal een homostel zeggen ‘maar liever niet aan het avondmaal’ te gaan (p. 108), hoewel hij ‘eigenlijk ook wel’ wil dat ze aangaan (p. 109).
Het voortdurende zoeken van Bodar naar hoe de leer van de kerk te verkondigen en hoe de homoseksueel als mens daardoor niet te verliezen, maakt dit boek tot een spannende leeservaring. Sommige uitspraken kunnen als kwetsend en pijnlijk worden ervaren (zoals de stelling dat homoseksualiteit een abnormale afwijking is (p. 75) en dat genezing ervan niet valt uit te sluiten (p. 51)), andere als uiterst liefdevol en barmhartig.

Antoine Bodar maakt van zijn hart geen moordkuil. Dat verdient waardering, al maakt het hem soms onuitstaanbaar. Menig lezer zal wisselende emoties ervaren tijdens het lezen van dit boek. Die ervaring te bewerkstelligen, kan alleen door een vakkundige pen. Met Ongeordende liefde is Houtman erin geslaagd een beladen thema dicht bij de harten van mensen te brengen. Dat is, hoe men het boek ook mag waarderen, een buiging voor de auteur meer dan waard.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Recensies

‘Juist bij de kwetsbare Man op het kruis vond ik troost’

De schrijver van dit gastblog vertelt hoe hij binnen de muren van de Rooms-Katholieke Kerk, die hij zo lief heeft, geen veiligheid ervaart om over zijn relatie met een man te vertellen. Dit doet hij anoniem, om de volgende reden:

‘Ik heb een verantwoordelijke baan, ben lid van meerdere Raden van Toezicht, ga dagelijks naar de Mis in de kerk bij mij om de hoek en ga jaarlijks op retraite. Maar ik zet mijn naam niet onder dit stuk. Ik voel me niet veilig in mijn kerk open en eerlijk te zijn over mijn relatie met een man. Dan lig ik eruit.’

‘Mijn moeder is geboren in Brabant aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Alles in Brabant, zeker in Vught, was katholiek. Mijn moeders familie was groot; aan beide kanten hadden haar ouders meer dan 10 broers en zussen. Iedereen was getrouwd; mijn moeder had zo’n 150 neven en nichten. Eén tante en oom hadden geen kinderen. Tante Cato, een zus van mijn oma, was getrouwd met ome Jan. Mijn moeder vertelde er weleens over. Ome Jan was een keurige man die heel aardig was. Hij hield erg van antiek. Én werd erbij verteld: “hij ging af en toe naar Amsterdam”.

Ome Jan was homo maar dat woord bestond toen nog niet en werd zeker niet uitgesproken. Ik heb iets dubbels met deze benadering. Zo omgaan met de zaken was in het katholieke Vught in de jaren ’50 het maximaal haalbare voor tante Cato en ome Jan. Misschien hoeft ook niet alles uitgesproken te worden; dat is ook wel erg Nederlands van boven de rivieren. In heel veel maatschappijen over de wereld heeft men aan een half woord genoeg en is er de facto soms meer vrijheid dan alles willen benoemen. Tante Cato heeft ome Jan jarenlang verzorgd toen hij ziek werd. Ze hadden op hun manier een zinvol leven, maar misschien waren beiden ook wel eenzaam en ongelukkig. Weten doen we het niet, want ze zijn al jaren geleden overleden. Misschien zaten ze wel gevangen in hun geheim, terwijl iedereen het wel wist.

Ik heb Onze Lieve Heer naar beneden gebeden dat mijn eigen homoseksuele gevoelens weg zouden gaan. Al vanaf mijn zesde voelde ik dat het bij mij “anders zat”, maar het kon niet, het mocht niet, het bestond niet. Het was zondig. Tot ik over mijn oren verliefd werd op een man. Ik kon er niet meer om heen. “God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, ver blijft Uw redding bij mijn kreet om hulp” (ps 22,2) zo riep ik uit tegen de Man op het kruisbeeld in mijn kamer – de woorden herhalend die Hij Zelf sprak op het kruis – midden in mijn verliefdheid. Ik voelde me naakt en kwetsbaar, bang en verward en was tegelijkertijd zo ontzettend verliefd. Ik wist het allemaal zo zeker, was behoorlijk orthodox katholiek en alles begon te wankelen. Maar juist bij deze kwetsbare Man op het kruis Die hetzelfde schreeuwde als ik, vond ik troost. Het onderkennen en accepteren van wie ik ben, met mijn hele persoon, inclusief homoseksualiteit, heeft me dichter bij God gebracht.

Inmiddels ben ik heel wat jaren verder. Ik heb alweer bijna 15 jaar een relatie en woon alweer heel wat jaren samen. Ik ben gebleven in mijn eigen Rooms-Katholieke Kerk. Ik kan in haar het beste Jezus ontmoeten. Ik voel me thuis in die kerk die – bijvoorbeeld in haar liturgie – een kerk is van alle tijden en plaatsen. Een hele diverse kerk met orden en congregaties met verschillende vormen van spiritualiteit. Maar de Rooms-Katholieke Kerk heeft ook iets dubbels. Er is een don’t tell, don’t ask mentaliteit als het gaat om homoseksualiteit. Men weet zich er eigenlijk geen raad mee. Ik heb een verantwoordelijke baan, ben lid van meerdere Raden van Toezicht, ga dagelijks naar de Mis in de kerk bij mij om de hoek en ga jaarlijks op retraite. Maar ik zet mijn naam niet onder dit stuk. Ik voel me niet veilig in mijn kerk open en eerlijk te zijn over mijn relatie met een man. Dan lig ik eruit. Terwijl ik juist wil horen bij die club van de Man op het Kruis.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk