Tagarchief: Bernhard Reitsma

Christen én professional in een pluriforme wereld

Wie als gelovige én als professional werkt in een omgeving met verschillende opvattingen en levensvisies, zal te maken krijgen met botsende perspectieven. Niet in de laatste plaats zal je merken dat het ook bij jezelf kan schuren, zeker ook als belangrijke ankers van je eigen geloofsleven geweld worden aangedaan. De vraag is hoe tot al deze dingen te verhouden.

Op 7 februari jl. startte op de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) een onderzoek van het lectoraat Diversiteit en Professionaliteit. De focus van de onderzoeksopdracht van het lectoraat ligt op het zoeken naar bronnen die vanuit de christelijke theologie en geloofservaring kunnen helpen bij de in mijn eerste alinea geschetste vraagstukken.
Tijdens het startsymposium werd prof. dr. Bernhard Reitsma geïnstalleerd als lector Diversiteit en Professionaliteit. Reitsma is docent-onderzoeker aan de CHE, predikant en bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

In zijn lectorale rede manoeuvreert Reitsma vanaf het begin op het scherpst van de snede. ‘Kan een moslim voorzitter zijn van het College van Bestuur van de CHE?’ Met deze vraag herhaalt Reitsma een vraag die een moslim-professional, oprichter van een adviesbureau voor multicultureel vakmanschap, op de CHE eens aan een groep vierdejaarsstudenten stelde. Op een enkele uitzondering na beantwoorden alle aanwezigen bij het symposium de vraag ontkennend.
Reitsma: ‘De bewuste gastdocent stelde dat een goede professional in staat moet zijn om de doelstelling van de CHE te realiseren, zelfs als hij of zij een andere geloofsovertuiging heeft. Zo doen we het toch meestal in de samenleving? Balkenende was een christelijke minister-president, die beleid maakte en uitvoerde voor een samenleving waar het grootste deel van de bevolking geen christen was. Er zijn diverse islamitische scholen geweest die kortere of langere tijd onder een christelijk bestuur stonden. En in de raad van toezicht van sommige islamitische instellingen hebben nog steeds christenen zitting. Kan het daarom dan wel of niet? Is een moslim als bestuurder van de CHE een normale professionele praktijk of is het een vorm van matchfixing? Daarmee zitten we midden in de vragen van diversiteit en professionaliteit. Hoe ga je als professional om met situaties die schuren met je eigen levensovertuiging? Kun je als social worker een moslim die depressief is helpen, door hem aan te moedigen troost te putten uit zijn eigen geloofstraditie, als je zelf gelooft dat de islam niet het ware leven brengt en geen weg tot God is? Hoe geef je relatietherapie aan een echtpaar dat homoseksueel of lesbisch is, als je zelf principieel tegen homoseksuele of lesbische relaties bent? Hoe bericht je als christen journalist objectief over moslims, als je zelf ten diepste gelooft dat de echte moslim een extremist is, die christenen vervolgt? Kortom, hoe geef je vorm aan professionaliteit in een complexe en zeer diverse wereld?’
De toon is gezet.

Reitsma voert ons mee in een fraai betoog over de grenzen van inclusiviteit en drie ijkpunten die christelijke professionals en professionele organisaties richting kunnen geven in het waarderen van en omgaan met diversiteit: (1) de belijdenis dat de wereld waarin wij leven door God geschapen en gewild is – dat is Gods visioen; (2) dat de door God geschapen wereld niet gebleven/ geworden is zoals God het had bedoeld en (3) dat God zijn visioen nooit heeft losgelaten.

In dit kader zegt Reitsma het volgende:

‘De ambivalentie van de werkelijkheid betekent in de eerste plaats dat diversiteit een aspect is van Gods goede schepping; het hoort bij het visioen dat God voor ogen staat. Hij schiep de mens als man en vrouw, met een grote diversiteit aan karakters, volkeren en culturen. Al die volken, etniciteiten, culturen en talen zullen straks in de volheid van Gods Rijk vertegenwoordigd zijn (Openb. 7:9). Diversiteit herinnert ons aan de grootheid en veelkleurigheid van God. ‘Er is één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn (1 Kor. 8:6).’’

‘De ambivalentie van de schepping betekent in de tweede plaats dat diversiteit ook bepaald is door de ontsporing van Gods schepping. Waar God niet meer erkend wordt als de Schepper en de Koning van de wereld, ontaard en verdwijnt diversiteit. Cultuur kan zodanig worden verabsoluteerd dat er geen ruimte meer is voor mensen die anders zijn. Etniciteit kan zo worden verheerlijkt, dat er een verheerlijking van het eigen volk optreedt. Waar gender ontspoort, ontstaat tweespalt en onderdrukking. Dat alles leidt tot discriminatie, xenofobie, uitbuiting en slavernij. Het kolonialisme van het christelijke Europa, de ideologie van het Arische ras in Nazi-Duitsland, human trafficking en gedwongen prostitutie zijn slechts enkele voorbeelden van een dergelijke ontaarding. Meestal is het subtieler. In plaats van diversiteit te omarmen en te vieren als een gave van de schepper wordt het een bedreiging voor de eigen identiteit.’

‘Uiteindelijk krijgt diversiteit zijn diepste betekenis in de christelijke traditie in het licht van het visioen van God, zoals dat in de nieuwe schepping in Christus door de Geest werkelijkheid is geworden. En zoals dat straks in volheid tot bloei komt in een onafzienbare diverse menigte, die niet te tellen is, uit alle landen, en volken, van elke stam en taal (Openb. 7:9). Zoals de oorspronkelijke bedoelingen van God alleen te ontdekken zijn bij kruis en opstanding, zo geldt dat ook voor de ultieme diversiteit van de nieuwe schepping. Door de Geest als eerste gave van de volheid proeven we vandaag al in beginsel iets van die heerlijkheid. De Geest schrijft een nieuwe geschiedenis en schept een nieuwe realiteit, een nieuwe schepping; daarom werkt de Geest niet alleen door mensen aan Christus te verbinden, maar ook door hen met de totaliteit en diversiteit van het ware nieuwe leven te verbinden. De Oosters Orthodoxe kerken hebben altijd al meer oog gehad voor het werk van de Geest in de hele schepping, de protestants-evangelische tradities zullen zich dat spoor opnieuw eigen moeten maken.’

Reitsma stelt de vraag wat dit alles betekent voor professionaliteit in een pluriforme wereld? ‘Hoe geeft dit richting aan het werk van een christen professional en aan organisaties die zich door de christelijke bronnen geïnspireerd weten? Daarvoor is geen kant en klaar model. Het zal in elke specifieke praktijksituatie opnieuw verwoord en uitgevonden moeten worden.’
Het lectoraat Diversiteit en Professionaliteit wil op dit punt haar bijdrage leveren.

Reitsma geeft een voorzet door in te gaan op twee benaderingen van christelijke professionaliteit, te weten de missionair-eschatologische en de praktisch-realistische benadering. Hij voegt hieraan toe:
‘Ik zou willen zoeken naar een benadering die deze twee benaderingen op een bepaalde manier overstijgt en recht blijft doen aan de beschreven ambivalentie in de werkelijkheid. In Christus heeft God zijn oorspronkelijke bedoelingen gerealiseerd, midden in een werkelijkheid die zowel door God gewild is, als die door de zonde ontspoord is. In die wereld schrijft de Geest in de christelijke gemeenschap een nieuwe geschiedenis. Zij vormt de nieuwe scheppingsgemeenschap waar Genesis aan refereert en is in alle voorlopigheid de eerste gestalte van de volle heerlijkheid van Gods bedoelingen. In die context definieer ik de roeping van de christen professional en van professionele organisaties als ‘in een gebroken wereld in alle voorlopigheid werken voor vrede en het welzijn van de samenleving, als een expressie van Gods scheppingsbedoelingen in de nieuwe schepping, in de hoop op een vernieuwing van heel de werkelijkheid.’’

Ik sluit af met een gedeelte uit de rede dat mij in het bijzonder tot verdere doordenking dwingt:
‘Christelijke professionaliteit is er niet om de secularisatie te bestrijden of de samenleving te kerstenen. Een pact met bijv. moslims sluiten om de secularisatie tegen te gaan is dus niet de primaire roeping van de christen professional. Dat is niet, omdat moslims de openbaring van God in Christus afwijzen; ook niet omdat moslims en christenen geen vergelijkbare ethische en religieuze principes zouden hebben, maar omdat christenen daartoe gewoon niet geroepen zijn. Zij werken niet om het Koninkrijk te vestigen. In hun professionaliteit zijn christenen er om te zegenen en te helen, om het nieuwe scheppings-leven in alle diversiteit uit te delen midden in de gebrokenheid van het heden. Daarmee is niet gezegd, dat het niet heel zinvol kan zijn om met moslims op te trekken op het punt van grote maatschappelijke dilemma’s waarbij er een bepaalde geestverwantschap bestaat. Het is heel zinvol om gezamenlijke doelen na te streven die het welzijn in de maatschappij bevorderen, zoals ten aanzien van bijv. nieuwere (bio)technologieën of met het oog op waardig sterven.’

Botsende perspectieven, ze schuren soms tot bloedens toe. Daarom is het nodig hier goed en diepgaand over door te denken.
Van harte wens ik Bernhard Reitsma met zijn collega’s alle wijsheid, kracht en zegen toe in deze spannende speurtocht naar wat van waarde is. Ik zie uit naar de bevindingen!

John Lapré

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Christen en maatschappij