Categorie archief: Defensie

Waarom ik als militair geloof in een rechtvaardige oorlog

christian-just-war-popeKan een oorlog ooit rechtvaardig zijn? Specifieker: is het vanuit christelijk perspectief mogelijk een rechtvaardige oorlog te voeren? Zulke vragen zijn hoogst actueel, zeker nu strijders van de terreurorganisatie Islamitische Staat (IS) de wereld een niet mis te verstane boodschap meegeven: wij gaan door, totdat jullie ons stoppen. De beelden van afgehakte hoofden branden op ons netvlies en we voelen de hete adem van IS in onze nek: dit gebeurt er, als jullie je niet schikken naar onze denkbeelden.

De vraag of christenen een oorlog kunnen steunen of eraan kunnen deelnemen, heeft de hele geschiedenis door tot felle discussies geleid. Dat begon al in de vroege kerk. In de derde eeuw veroordeelde kerkvader en bijbelwetenschapper Origenes christenen die mee wilden vechten in de strijd door te zeggen: ‘Ieder die heersersmacht uitoefent en zich niet met wapenloosheid bekleedt, welke het Evangelie betaamt, dient van de kudde te worden afgesneden. Geen christen mag soldaat worden.’ (Contra Celsum, VIII, 73) Tijdgenoot Lactantius meende dat op het ‘goddelijk zesde gebod’ – ‘gij zult niet doden’ – nooit een uitzondering mag worden gemaakt: ‘Het is altijd zonde te doden.’ (Divinae Institutiones, Liber VI, 20)

Met de komst van Constantijn de Grote voltrok zich langzaam maar zeker een nieuwe manier van denken over oorlogsvoering. Toen Constantijn in 314 het christendom tot staatsgodsdienst verhief, begonnen steeds minder christenen radicaal afwijzend tegenover oorlogen te staan. In zijn boek De zondeval van het christendom (1928) beschrijft G.J. Heering hoe kerkvaders als Athanasius van Alexandrië het ‘wettig en geoorloofd’ vonden in oorlogen de tegenstanders te doden. In de vijfde eeuw kreeg de leer van de bellum justum – de rechtvaardige oorlog – steeds meer vorm. Vooral Augustinus van Hippo liet zich er uitgebreid over uit en beriep zich daarbij op Romeinen 13:4-5: de overheid ‘staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn.’ Met de geboorte van een visie die oorlogsvoering niet zonder meer afwijst, is uiting gegeven aan een door velen diepgeworteld gevoelen: we kunnen – als internationale gemeenschap – gewelddadige excessen en gruwelijke misdaden toch niet over onze kant laten gaan en met lede ogen toezien hoe duizenden en duizenden het leven laten? We moeten toch iets doen hen te beschermen, die ongewild in een strijd verwikkeld zijn geraakt en de kogel niet zelf kunnen weren!?

Het voeren van oorlog met het doel macht te vergroten, dient mijns inziens onderscheiden te worden van oorlogshandelingen die ten doel hebben destructieve bronnen te vernietigen en weerloze mensen te beschermen. Zolang het verlangen vrede te bevorderen de motor is achter militair ingrijpen, kan van gerechtvaardigde interventies sprake zijn. Rechtvaardig in de pure zin van het woord: het vermogen aanwenden wat ‘krom’ is ‘recht’ te buigen. Buiten discussie staat dat militair geweld ‘nieuw’ geweld op kan roepen. Sommigen beweren dat daarom geweld voor eens en altijd in de ijskast moet: het haalt per saldo niets uit en leidt alleen maar van kwaad tot erger. Daarmee is nog geen antwoord gegeven op de vraag wat een manier is om onschuldige burgers te beschermen tegen dominante, destructieve en gewelddadige machten. Toezien hoe mensen worden afgeslacht, is in ieder geval geen optie. De hakbijlen van IS zullen telkens weer worden opgeheven, zolang de internationale gemeenschap geen gerichte tegenaanvallen inzet.

Daarmee komen we op een ander belangrijk punt. Militair ingrijpen, waarbij geweld wordt gebruikt, dient gericht plaats te vinden. De koppen die dan rollen, zijn bedoeld verdere gewelddadige excessen te voorkomen. Het is een trieste werkelijkheid dat mensenlevens op een niet natuurlijke manier moeten worden beëindigd om de levens van andere mensen te redden. Het voeren of het niet voeren van een oorlog is haast een kiezen tussen twee kwaden. Een perfecte oplossing bestaat niet. Oorlog is iets vreselijks. Een ‘rechtvaardige oorlog’ in de zin dat het goed is een oorlog te voeren, is dan ook niet juist. Maar niets doen, leunend op een triomfantelijk gevoel van geweldloosheid, is erger. In die zin kan een oorlog ‘rechtvaardig’ zijn. Zolang gewelddadig militair ingrijpen plaatsvindt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit (waarbij het lichtste middel wordt ingezet om een doel te bereiken) kan één enkele kogel immens leed van veel andere mensen voorkomen. Met die kogel is dan meegewerkt aan het bevorderen van vrede, hoe paradoxaal dit alles ook mag klinken.

Nee, een mooie oorlog bestaat niet. De Bijbel roept op ernaar te streven ‘in vrede te leven met allen’ (Hebr. 12:14) en het goede te doen (1 Petr. 3:11). Maar soms, als het echt nodig is, mogen wij als belangenbehartiger van hen die weerloos zijn, tussen het goede en het kwade in gaan staan om erger te voorkomen. Het kwaad heeft soms een dreun nodig. IS moet weten dat haar honger naar bloed niet eindeloos bevredigd kan worden. De internationale gemeenschap mag zeggen: tot hier toe, en niet verder. En wie niet horen wil, zal moeten voelen. Het stillen van honger naar het ‘bloed van ongelovigen’ rechtvaardigt een oorlog. Geen mooie, maar wel een noodzakelijke en onvermijdelijke.

 

Advertenties

7 reacties

Opgeslagen onder Defensie