Categorie archief: Christen en maatschappij

Een biddende Rutte; een gelovige of een hypocriet?

Wie deze dagen door het politieke landschap struint, kan het gevoel krijgen in een boksring te zijn beland. Op het scherpst van de snede worden stoten uitgedeeld, die de ander behendig kan opvangen en afweren. Alles om kijkers te helpen bij het inkleuren van ‘hun’ rondje een geïnformeerde keuze te maken. Dan ontkom je er niet aan verschillen uit te lichten en allerlei issues op de spits te drijven. Er is een tijd om te knuffelen en een tijd om elkaar eens flink aan de tand te voelen.

In de christelijke wereld is het gemeengoed op een uitgesproken christelijke partij te stemmen (SGP, CU en in iets mindere mate CDA). Een christen die bijvoorbeeld VVD stemt, krijgt nog wel eens een opgetrokken wenkbrauw en heeft niet zelden wat uit te leggen. Dat is begrijpelijk, want op het gebied van maatschappijvisie en ethische onderwerpen lopen de benaderingen van een partij als de CU en een partij als de VVD fundamenteel uiteen.

Wat mij bezighoudt, is of het persoonlijke geloof in God van een politicus of een kiezer die verbonden is aan een niet uitgesproken christelijke partij, niet te snel op de ‘gewogen, gewogen, maar te licht bevonden-weegschaal’ belandt. Zo van: hoe kan je nou zeggen christen te zijn, als je…      

In Trouw verscheen 12 maart een interview met VVD-lijsttrekker Mark Rutte. Hij vertelde daarin over zijn geloof in God en hoe hij dat laat verhouden tot zijn werk als politicus. Op een van de foto’s staat Rutte met gesloten ogen en twee open, ‘ontvangende’ handen. Een schitterend, intiem en zelfs kwetsbaar beeld van een gelovig mens. Dat is hoe ik de foto, in combinatie met het interview, ‘interpreteer’. Maar dat is niet hoe andere christenen het interpreteren. Zo zegt de eindredacteur van NieuwWij, Theo Brand, op Twitter:

“Hoe rijm ik zijn gebed met zijn vijandige taal over vluchtelingen? En met zijn uiterst magere klimaatambities? Vragen… vragen… De biddende Rutte doet me persoonlijk eerder denken aan Trump-met-de-Bijbel dan aan een biddende Jimmy Carter.”      

Wat ik echt heel bezwaarlijk vind aan zulke uitingen, is het oordeel dat erin ligt besloten. Alsof Rutte vanwege zijn vluchtenstandpunt en zijn klimaatvisie niet vanuit een gerechtigheid zoekend hart zou kunnen bidden. Dat hij geen oprechte gelovige zou kunnen zijn, niet God in de praktijk van alledag zou kunnen volgen. Dat hij slechts voor de bühne zo’n foto laat maken.

NieuwWij proclameert op haar website (in haar logo zelfs) verschillen te willen verbinden, maar hier wordt in mijn ogen voor het tegendeel gekozen. Ik vind het onnodig ‘lelijk’, onnodige vervuiling van een constructief gesprek.

Want dát er een gesprek gevoerd kan worden over de verhouding christen-zijn en (politieke) keuzes, staat buiten kijf. We mogen elkaar bevragen, elkaar uitdagen, de degens kruisen zelfs. Daardoor wordt onze mening gevormd en aangescherpt. Komen we soms op standpunten terug misschien.

Waarom zouden we de VVD-voorman vergelijken met Trump? Met welk doel? Een twitteraar merkte op: “(…) omdat Trump zijn hele presidentschap geen kerk van binnen heeft gezien zonder veertig camera’s erbij en nog geen bijbeltekst kan opnoemen, terwijl Rutte al jarenlang consistent zijn geloof uit en rustig met Van der Staaij een theologische discussie start.”

Alleen al daarom lijkt een vergelijking met de voormalige Amerikaanse president mank te gaan.

Hoe dan ook: we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn iets te zeggen over het hart van een ander. Alleen God is de échte hartenkenner. Ja, ook van Trump’s hart.

Wijsheid bij de stemkeuze gewenst!

John Lapré

4 reacties

Opgeslagen onder Christen en maatschappij

Gedragscode homopastoraat voor christenen kan stap in de goede richting zijn

Foto John september 2019Column voor het Christelijk Informatie Platform, 17 juni 2020

Het zal niet veel mensen ontgaan zijn: kerken die pastorale zorg bieden aan lhbti’ers krijgen een gedragscode. Om dat te bereiken heeft het kabinet het Humanistisch Verbond gevraagd een eerste concept te schrijven, welke uitvoerig zal worden besproken in kerken en andere religieuze instellingen. De kritiek is niet van de lucht.

Zo zegt Arjan Baan, één van de initiatiefnemers van de Nederlandse versie van de Nashvilleverklaring, in een interview met dit medium dat Nederland door inmenging van de overheid een controlestaat dreigt te worden. En zo stelt de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad dat het niet moeilijk is om de kern van de gedragscode alvast in te vullen. Dat zal namelijk overeenkomen met de Liefdesverklaring, die het Humanistisch Verbond in reactie op de Nashvilleverklaring schreef.

Ik vind de zet van het kabinet ook maar vreemd. Los van de vraag of de waarden van het Humanistisch Verbond worden gedeeld of niet, ik was er vooral over verbaasd dat er kennelijk een soort ‘motie van afkeuring’ jegens kerken en instanties (lees: bijbelscholen, conferenties en bootcamps) geldt. Alsof deze kerken en instanties niet zelf met een (concept) gedragscode aan de slag kunnen en deze uitvoerig zowel intern als extern kunnen bespreken. Ik juich zulke processen (niet opgelegd, maar vanuit intrinsieke motivatie) van harte toe, omdat ik geloof dat het dienstig is om goed en zorgvuldig na te denken over wat toch als een heel gevoelig thema wordt ervaren. Zijn kerken dus niet zelf bij machte? Ik dacht het wel!

Daarnaast: is het überhaupt wijs om een vereniging die vermoedelijk weinig tot geen feeling heeft met de context waarin een bepaalde kerk zich beweegt en manoeuvreert te laten bedenken wat die kerk moet vinden, zonder in allerlei nietszeggende algemeenheden te vervallen? Dat is hetzelfde als dat de Partij voor de Dieren wordt gevraagd om te bepalen hoe Forum voor Democratie met haar leden om moet gaan. Dat is waanzin natuurlijk. Dat kan Forum prima zelf! Overschrijdt zij de wet in de behandeling van haar leden, dan zal zij zich na aangifte en vervolging moeten verantwoorden bij de rechter. Zo werkt ons democratische systeem. En dat systeem werkt goed. Daar is geen symboolpolitieke actie voor nodig, een actie waarmee de mensen om wie het draait uiteindelijk niet zijn gediend.

Nog even over dat interview van dit medium met Arjan Baan. Nadat Baan zijn mening ventileert dat door de inmenging van de overheid richting kerken Nederland langzaamaan zal veranderen in een controlestaat en dat daardoor zelfs vervolging en uitsluiting van christenen kan worden veroorzaakt, gaat hij in op -wat hij noemt- ‘een botsing tussen twee groepen christenen’. De ene groep christenen (‘de meeste christenen’) neemt het gezag van de Schrift niet langer meer serieus en buigt daarom makkelijk mee met de visie van de overheid op het gebied van rolpatroon man/vrouw, homoseksualiteit en genderdysforie. De andere groep christenen is ‘een groep christenen die gelooft dat God zeggenschap heeft op álle terreinen van het leven, ook op het gebied van huwelijk, gezin en seksualiteit’. Baan spreekt van een botsing tussen ‘de postmoderne/oecumenische stroming en de conservatieve/Bijbelgetrouwe stroming’. Als voorbeeld van een periode waarin de clash tussen deze twee stromingen duidelijk naar voren komt, noemt hij de periode na de publicatie van de Nashvilleverklaring. Hij zegt: ‘Bijbelgetrouwe christenen, die zich verbonden weten met de inhoud van deze verklaring, verlangen oprecht het gezag van Gods Woord vast te houden en het Woord niet in te vullen conform de gevoelens van de publieke opinie.’

Het is van belang om notie te nemen van de scherpe scheiding die Baan niet zozeer benoemt maar eerder creëert. Aan de ene kant is daar de bijbelgetrouwe groep die zich verbonden weet met de inhoud van de Nashvilleverklaring. Aan de andere kant is daar de postmoderne/oecumenische groep, de groep christenen die die bijbelgetrouwe groep christenen steeds meer zal framen als ‘onverdraagzaam, onmenselijk, hard en liefdeloos’. Baan schaart zichzelf onder de bijbelgetrouwe groep christenen. Wat hij zich daarbij realiseert en waarbij hij geen seconde terughoudendheid ervaart om het te zeggen, is dat de andere groep kennelijk niet-bijbelgetrouw is. De groep die zich niet verbonden weet met de inhoud van de Nashvilleverklaring en wellicht elders kanttekeningen plaatst bij wat door het zogenaamde bijbelgetrouwe kamp wordt geleerd, wordt zo van een etiket voorzien waarmee velen van hen geen recht wordt gedaan. Dat is zorgelijk. In mijn ogen is het anti-evangelisch en onnodig polariserend.

Dan nog iets over Heart Cry zelf, de stichting waar Baan directeur van is. De vraag wordt hem gesteld hoe er bij Heart Cry voor wordt gezorgd dat iemand met homoseksuele gevoelens in een veilige omgeving en in vertrouwen pastoraal begeleid wordt. Baan reageert met: ‘Er wordt geluisterd, zonder veroordeling en er wordt gekeken wat de hulpvraag is. Er zijn bij Heart Cry verschillende mensen die pastoraat verlenen.’ Een van deze mensen ken ik. Het gaat om een man van wie wordt beweerd dat God zijn homoseksuele gerichtheid heeft veranderd in een heteroseksuele gerichtheid. Hij is op dit moment getrouwd met een vrouw. Op verschillende podia heeft deze man (op verzoek van de Stichting) zijn verhaal verteld, hoe God hem heeft bevrijd van zijn homogevoelens.

Naast dat ik twijfel aan de waarachtigheid van dit getuigenis, vind ik het niet goed om mensen op podia te tillen die vertellen over bevrijding van homogevoelens, zoals anderen op dezelfde podia vertellen hoe ze zijn verlost van porno, jaloezie of ongeloof. De intentie zal ongetwijfeld zijn om God groot te maken, maar de uitwerking is (ook) een andere, een mogelijk destructieve. Wie ernaar luistert, kan met zijn of haar homogevoelens het gevoel krijgen verlost te moeten worden, net als de pornoverslaafde, de jaloerse zus of de ongelovige buurman.

Er is een reden dat Stichting Heart Cry mensen doorstuurt naar Stichting Different en zich goed kan vinden in de leer van Leanne Payne (tijdens mijn therapie bij Different kreeg ook ik materiaal van Payne mee). In Payne’s boek ‘Het gebroken beeld’ worden vele voorbeelden genoemd hoe door de kracht van de Heilige Geest en ‘genezend gebed’ mensen de weg kunnen terugvinden naar ‘werkelijke seksuele vrijheid’. Bij Heart Cry wordt veel in het werk gesteld om gebrokenheid door God te laten helen, om homo’s om te vormen tot hetero’s. Lukt de transformatie niet, dan staakt Heart Cry de inspanningen en zal de homo worden geleerd ‘in vreugde en vrede’ te leren leven met de gevoelens… ‘Te leren leven’, hoort u het goed? Alsof je met een pijnlijke hernia de gang door het leven maken moet.

Mede gezien de ervaringen in het verleden zou de overheid er goed aan doen om organisaties als Heart Cry te verplichten op papier te zetten hoe zij met geheimhouding in praktische zin om wensen te gaan. Als de visie van Heart Cry is om hetgeen als zondig en oneervol wordt beschouwd ‘in het licht’ (lees: naar buiten) te brengen, dan moet dat duidelijk worden. Dan is het voor lhbt’ers helder met wie zij in zee stappen.

Een gedragscode kan daar vast bij helpen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk, Christen en maatschappij

Laat onze taal een versiering van het goede nieuws zijn!

IMG-4312

Hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad Steef de Bruijn en ik, 22 juni jl. in Apeldoorn

Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat mensen eerder moeite steken in dingen die ze leuk vinden. De kans is groot dat je weinig energie steekt in het spreken met mensen die je toch niet leuk vindt. Naarmate de tijd verstrijkt, kan dit gebrek aan moeite veranderen in minachting.

We hebben hier allemaal wel beeld bij. Als je ergens toekomst in ziet (of dat nu geldt voor een liefdesrelatie, een vriendschap of de kerk), ben je eerder bereid ‘een extra mijl’ te gaan dan wanneer je er ‘helemaal klaar mee bent’. Als je met iemand totaal geen klik ervaart, is het makkelijker iemand te beschouwen als lucht, laat staan dat je met iemand ‘op de inhoud’ in gesprek gaat. Dit kan leiden tot marginalisering van de ander, of dat je die ander met een paar vegen uit de pan en wat losse (niet al te gefundeerde) opmerkingen naar de zijlijn schuift. Of dat je die ander volledig negeert en zelfs weigert goede punten in overweging te nemen.

De laatste tijd valt me iets op in christelijk Nederland, wat ik graag in deze column aan de orde wil stellen. Ik wil het hebben over de flinterdunne scheidslijn tussen het oneens zijn met iemand en het denigrerend opstellen jegens een ander. Het tweede leidt vaak – onder het mom van het eerste – tot haast onoverkomelijke verwijderingen tussen mensen die dezelfde zuurstof inademen en dezelfde God dienen. Denigrerende uitspraken zijn uitspraken waaruit blijkt dat je iemand volstrekt onbelangrijk en waardeloos vindt.

Het is soms gewoon niet leuk meer om reacties onder bepaalde artikelen van christelijke media te lezen. Het gaat er soms goddeloos aan toe. Toen de atheïstische dominee Klaas Hendrikse op 70-jarige leeftijd overleed, buitelden sommige christenen over dit nieuws heen. De toon van sommigen was: hij piept nu wel anders, nu hij voor de troon van God staat. Dan ontgaat je iedere vorm van respect voor wat het leven ooit heeft voortgebracht.
Ook zelf werd ik er afgelopen week opnieuw mee geconfronteerd. Ik heb iets gezegd over stilte en onthaasting (naar aanleiding van mijn nieuwe boek Stoppen met moeten) en sommige christenen beginnen onder het artikel een discussie over homoseksualiteit en dat een homoseksueel geen goede vruchten kan voortbrengen. Men hoopt dat framing succes heeft, gebruikt termen als ‘activist’ en ‘zondaar’ en hoopt zo de ander monddood te maken. Dit gaat niet langer over het met de ander oneens zijn, maar om het afschrijven van de ander.

Dit afschrijven gebeurt soms openlijk (datgene wat we lezen en horen en waar we ons vaak het meeste over verbazen en soms opwinden), maar het gebeurt vaker achter de schermen en in de stilte van ons hart. We kunnen mensen denigrerend behandelen, zonder dat er maar iemand weet van heeft. We zijn denigrerend bezig als we denken: wat die ander ook zegt, het gaat m’n ene oor in en het andere uit. Dan beschouwen we de ander niet langer als mens, maar als een roeptoeter, een lege huls, een niemand.

Denigrerend handelen en denken is zonde. Niemand is onbelangrijk. Niemand is waardeloos.
Wel kunnen we het hartgrondig met de ander oneens zijn. Dat mag bestaan en daar mogen we over spreken. Maar altijd in waardigheid, met respect en met fijngevoeligheid. Achter de woorden van de ander zit een mens, een mens van vlees en bloed. Een mens die net als ieder ander zich elke dag een weg zoekt naar het licht, naar wat van waarde is.

Ik heb waardige gesprekken meegemaakt met mensen met wie ik het oneens ben. Ik denk aan het twee uur durende gesprek dat ik een paar weken geleden had met de hoofddirecteur van het Reformatorisch Dagblad Steef de Bruijn. We bevroegen elkaar op het scherpst van de snede, maar iedere minuut in een geest van respect en waardigheid. Ik heb mijn waardering hiervoor uitgesproken, ook tijdens een lang interview dat eind vorige maand is opgenomen voor Een Vandaag en begin augustus (verspreid over vier dagen) uitgezonden zal worden. Er was ruimte onze moeiten te uiten (en die zijn er zeker), maar de een verhief zich niet boven de ander. Het was veilig! En juist door die veiligheid toverden we elkaar een lach op het gezicht, omdat we in de ander onze gelijke ontmoetten.

Het is niet eenvoudig om elke dag weer waardige gesprekken te voeren. De ene keer lukt dat beter dan de andere keer. Zo vergaat het mij in ieder geval wel.
Waar het om gaat is dat we erop gericht zijn in de ander het beeld van God te zien. Dat doet iets met onze taal, ook als we op een zolderkamer allerlei reacties op social media plaatsen. Achter al die verhalen (waar we het soms zo mee oneens zijn) zit een mens. Zitten de nabestaanden van Klaas Hendrikse. Zit… vul het zelf maar in.

Een paar dingen kunnen helpen om als christenen goed op elkaar te reageren:

  • Wees bewust van eigen emoties;
  • Uit gevoelens op een rustige manier;
  • Ga niet altijd het gevecht aan;
  • Wees niet defensief.

Laat onze taal een versiering van het goede nieuws zijn!

1 reactie

Opgeslagen onder Christen en maatschappij

Christen én professional in een pluriforme wereld

Wie als gelovige én als professional werkt in een omgeving met verschillende opvattingen en levensvisies, zal te maken krijgen met botsende perspectieven. Niet in de laatste plaats zal je merken dat het ook bij jezelf kan schuren, zeker ook als belangrijke ankers van je eigen geloofsleven geweld worden aangedaan. De vraag is hoe tot al deze dingen te verhouden.

Op 7 februari jl. startte op de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) een onderzoek van het lectoraat Diversiteit en Professionaliteit. De focus van de onderzoeksopdracht van het lectoraat ligt op het zoeken naar bronnen die vanuit de christelijke theologie en geloofservaring kunnen helpen bij de in mijn eerste alinea geschetste vraagstukken.
Tijdens het startsymposium werd prof. dr. Bernhard Reitsma geïnstalleerd als lector Diversiteit en Professionaliteit. Reitsma is docent-onderzoeker aan de CHE, predikant en bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

In zijn lectorale rede manoeuvreert Reitsma vanaf het begin op het scherpst van de snede. ‘Kan een moslim voorzitter zijn van het College van Bestuur van de CHE?’ Met deze vraag herhaalt Reitsma een vraag die een moslim-professional, oprichter van een adviesbureau voor multicultureel vakmanschap, op de CHE eens aan een groep vierdejaarsstudenten stelde. Op een enkele uitzondering na beantwoorden alle aanwezigen bij het symposium de vraag ontkennend.
Reitsma: ‘De bewuste gastdocent stelde dat een goede professional in staat moet zijn om de doelstelling van de CHE te realiseren, zelfs als hij of zij een andere geloofsovertuiging heeft. Zo doen we het toch meestal in de samenleving? Balkenende was een christelijke minister-president, die beleid maakte en uitvoerde voor een samenleving waar het grootste deel van de bevolking geen christen was. Er zijn diverse islamitische scholen geweest die kortere of langere tijd onder een christelijk bestuur stonden. En in de raad van toezicht van sommige islamitische instellingen hebben nog steeds christenen zitting. Kan het daarom dan wel of niet? Is een moslim als bestuurder van de CHE een normale professionele praktijk of is het een vorm van matchfixing? Daarmee zitten we midden in de vragen van diversiteit en professionaliteit. Hoe ga je als professional om met situaties die schuren met je eigen levensovertuiging? Kun je als social worker een moslim die depressief is helpen, door hem aan te moedigen troost te putten uit zijn eigen geloofstraditie, als je zelf gelooft dat de islam niet het ware leven brengt en geen weg tot God is? Hoe geef je relatietherapie aan een echtpaar dat homoseksueel of lesbisch is, als je zelf principieel tegen homoseksuele of lesbische relaties bent? Hoe bericht je als christen journalist objectief over moslims, als je zelf ten diepste gelooft dat de echte moslim een extremist is, die christenen vervolgt? Kortom, hoe geef je vorm aan professionaliteit in een complexe en zeer diverse wereld?’
De toon is gezet.

Reitsma voert ons mee in een fraai betoog over de grenzen van inclusiviteit en drie ijkpunten die christelijke professionals en professionele organisaties richting kunnen geven in het waarderen van en omgaan met diversiteit: (1) de belijdenis dat de wereld waarin wij leven door God geschapen en gewild is – dat is Gods visioen; (2) dat de door God geschapen wereld niet gebleven/ geworden is zoals God het had bedoeld en (3) dat God zijn visioen nooit heeft losgelaten.

In dit kader zegt Reitsma het volgende:

‘De ambivalentie van de werkelijkheid betekent in de eerste plaats dat diversiteit een aspect is van Gods goede schepping; het hoort bij het visioen dat God voor ogen staat. Hij schiep de mens als man en vrouw, met een grote diversiteit aan karakters, volkeren en culturen. Al die volken, etniciteiten, culturen en talen zullen straks in de volheid van Gods Rijk vertegenwoordigd zijn (Openb. 7:9). Diversiteit herinnert ons aan de grootheid en veelkleurigheid van God. ‘Er is één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn (1 Kor. 8:6).’’

‘De ambivalentie van de schepping betekent in de tweede plaats dat diversiteit ook bepaald is door de ontsporing van Gods schepping. Waar God niet meer erkend wordt als de Schepper en de Koning van de wereld, ontaard en verdwijnt diversiteit. Cultuur kan zodanig worden verabsoluteerd dat er geen ruimte meer is voor mensen die anders zijn. Etniciteit kan zo worden verheerlijkt, dat er een verheerlijking van het eigen volk optreedt. Waar gender ontspoort, ontstaat tweespalt en onderdrukking. Dat alles leidt tot discriminatie, xenofobie, uitbuiting en slavernij. Het kolonialisme van het christelijke Europa, de ideologie van het Arische ras in Nazi-Duitsland, human trafficking en gedwongen prostitutie zijn slechts enkele voorbeelden van een dergelijke ontaarding. Meestal is het subtieler. In plaats van diversiteit te omarmen en te vieren als een gave van de schepper wordt het een bedreiging voor de eigen identiteit.’

‘Uiteindelijk krijgt diversiteit zijn diepste betekenis in de christelijke traditie in het licht van het visioen van God, zoals dat in de nieuwe schepping in Christus door de Geest werkelijkheid is geworden. En zoals dat straks in volheid tot bloei komt in een onafzienbare diverse menigte, die niet te tellen is, uit alle landen, en volken, van elke stam en taal (Openb. 7:9). Zoals de oorspronkelijke bedoelingen van God alleen te ontdekken zijn bij kruis en opstanding, zo geldt dat ook voor de ultieme diversiteit van de nieuwe schepping. Door de Geest als eerste gave van de volheid proeven we vandaag al in beginsel iets van die heerlijkheid. De Geest schrijft een nieuwe geschiedenis en schept een nieuwe realiteit, een nieuwe schepping; daarom werkt de Geest niet alleen door mensen aan Christus te verbinden, maar ook door hen met de totaliteit en diversiteit van het ware nieuwe leven te verbinden. De Oosters Orthodoxe kerken hebben altijd al meer oog gehad voor het werk van de Geest in de hele schepping, de protestants-evangelische tradities zullen zich dat spoor opnieuw eigen moeten maken.’

Reitsma stelt de vraag wat dit alles betekent voor professionaliteit in een pluriforme wereld? ‘Hoe geeft dit richting aan het werk van een christen professional en aan organisaties die zich door de christelijke bronnen geïnspireerd weten? Daarvoor is geen kant en klaar model. Het zal in elke specifieke praktijksituatie opnieuw verwoord en uitgevonden moeten worden.’
Het lectoraat Diversiteit en Professionaliteit wil op dit punt haar bijdrage leveren.

Reitsma geeft een voorzet door in te gaan op twee benaderingen van christelijke professionaliteit, te weten de missionair-eschatologische en de praktisch-realistische benadering. Hij voegt hieraan toe:
‘Ik zou willen zoeken naar een benadering die deze twee benaderingen op een bepaalde manier overstijgt en recht blijft doen aan de beschreven ambivalentie in de werkelijkheid. In Christus heeft God zijn oorspronkelijke bedoelingen gerealiseerd, midden in een werkelijkheid die zowel door God gewild is, als die door de zonde ontspoord is. In die wereld schrijft de Geest in de christelijke gemeenschap een nieuwe geschiedenis. Zij vormt de nieuwe scheppingsgemeenschap waar Genesis aan refereert en is in alle voorlopigheid de eerste gestalte van de volle heerlijkheid van Gods bedoelingen. In die context definieer ik de roeping van de christen professional en van professionele organisaties als ‘in een gebroken wereld in alle voorlopigheid werken voor vrede en het welzijn van de samenleving, als een expressie van Gods scheppingsbedoelingen in de nieuwe schepping, in de hoop op een vernieuwing van heel de werkelijkheid.’’

Ik sluit af met een gedeelte uit de rede dat mij in het bijzonder tot verdere doordenking dwingt:
‘Christelijke professionaliteit is er niet om de secularisatie te bestrijden of de samenleving te kerstenen. Een pact met bijv. moslims sluiten om de secularisatie tegen te gaan is dus niet de primaire roeping van de christen professional. Dat is niet, omdat moslims de openbaring van God in Christus afwijzen; ook niet omdat moslims en christenen geen vergelijkbare ethische en religieuze principes zouden hebben, maar omdat christenen daartoe gewoon niet geroepen zijn. Zij werken niet om het Koninkrijk te vestigen. In hun professionaliteit zijn christenen er om te zegenen en te helen, om het nieuwe scheppings-leven in alle diversiteit uit te delen midden in de gebrokenheid van het heden. Daarmee is niet gezegd, dat het niet heel zinvol kan zijn om met moslims op te trekken op het punt van grote maatschappelijke dilemma’s waarbij er een bepaalde geestverwantschap bestaat. Het is heel zinvol om gezamenlijke doelen na te streven die het welzijn in de maatschappij bevorderen, zoals ten aanzien van bijv. nieuwere (bio)technologieën of met het oog op waardig sterven.’

Botsende perspectieven, ze schuren soms tot bloedens toe. Daarom is het nodig hier goed en diepgaand over door te denken.
Van harte wens ik Bernhard Reitsma met zijn collega’s alle wijsheid, kracht en zegen toe in deze spannende speurtocht naar wat van waarde is. Ik zie uit naar de bevindingen!

John Lapré

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Christen en maatschappij