Categorie archief: Boek – De veilige kerk

Ouweneel en John Lapré blikken terug op briefwisseling: “We zijn verbonden door geloof.”

‘Als jullie mijn visie op homoseksuele relaties respecteren, zijn Lionel en jij hartelijk welkom om een kop koffie met Gerdien en mij te komen drinken!’ Met deze zin rondde prof. dr. Willem Ouweneel onlangs zijn briefwisseling met John Lapré af. Relaties tussen homofiele personen van hetzelfde geslacht noemde Willem Ouweneel onlangs in zijn rijtje ‘veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’. Lapré voelde zich hierdoor aangesproken. Het leidde tot een waardevolle briefwisseling op CIP.nl. Vandaag blikt het tweetal terug.

Hoe kijken jullie terug op de briefwisseling? Wat hebben jullie van elkaar geleerd?

Lapré: “Toen Willem in een column homorelaties opnam in een rijtje ‘veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’, kroop ik in de pen. Ik wilde weten of de soep zo heet moest worden gegeten als zij werd opgediend. ‘Ik geef toe, John, dat was nogal kort door de bocht,’ reageerde Willem. Daarmee was niet het laatste woord gezegd; er vloeide een in mijn ogen waardevolle briefwisseling uit voort. Wat ik waardeer aan de briefwisseling is de toon waarmee het gesprek gevoerd is. Die toon is niet bijtend, niet onnodig polariserend. Verder ervaar ik het als bijzonder dat Willem, ondanks zijn overtuigingen, niet schroomt mij te beschouwen als ‘broeder in Christus’. Dat gevoelen is wederzijds; we zijn door het geloof aan elkaar verbonden, als verschillende leden van hetzelfde Lichaam.”

“Ik ervaar het als bijzonder dat Willem, ondanks zijn overtuigingen, niet schroomt mij te beschouwen als ‘broeder in Christus’. Dat gevoelen is wederzijds; we zijn door het geloof aan elkaar verbonden.”

Ouweneel heeft “niet veel nieuws” geleerd. “We wisten van elkaar wel ongeveer waar de ander stond. Maar daar ging het ook niet om: het was goed om de standpunten weer eens zo evenwichtig mogelijk op een rijtje te zetten, in de hoop dat ook anderen er iets aan hebben. Niemand hoeft het met John of mij – of met allebei! – eens te zijn, terwijl het toch nuttig kan zijn de standpunten weer eens naast elkaar te zien.”

Wat zeggen jullie tegen christenen die vinden dat door middel van de briefwisseling de verdeeldheid tussen christenen op dit thema wordt uitvergroot en dergelijke briefwisselingen geen zin hebben?

“Daar zeg ik tegen dat dat onjuist is”, antwoordt Ouweneel. “Het onder woorden brengen van een bepaalde verdeeldheid is niet hetzelfde als het ‘uitvergroten’ ervan. Dat klinkt alsof we het hele onderwerp maar liever moeten doodzwijgen, en dat willen we nu juist niet. Door de problematiek scherp in kaart te brengen wordt juist verhinderd dat anderen de zaak te veel ‘uitvergroten’. Hetero’s en homo’s zijn gewoon mensen met een bepaalde seksuele geaardheid. De vraag voor beide groepen is een en dezelfde: op welke wijze kan en mag volgens de Bijbel aan die geaardheid gestalte worden gegeven? Hoe nauwkeuriger de standpunten daarover geformuleerd worden, des te minder wordt er ‘uitvergroot” of – het omgekeerde ervan – ‘gebagatelliseerd’.”

Lapré wijst op “de grote winst van briefwisselingen”. “Ze geven een (uitgebreide) inkijk in wat er gebeurt in andermans hart. Briefwisselingen geven vaak veel uiting aan iemands intenties, beweegredenen, zoektochten, vragen en keuzes, ook van personen met wie de lezer het mogelijk grondig oneens is. Dat is heel nuttig! Ik denk dat wij als mensen de neiging hebben te snel iemand af te rekenen op zijn of haar beslissingen, overtuigingen en dergelijke. Echter, daarmee verliezen we wel (het hart van) mensen die net als wij naar het evenbeeld van God gemaakt zijn. Om dat te voorkomen, is het nuttig een spade dieper te steken, om te luisteren naar andermans motieven, om echt het hart van de ander open te laten bloeien.

Ik moet zeggen dat ik heel waardevolle contacten heb in onder andere de reformatorische wereld, omdat ik de tijd nam en neem het hart van de ander te verstaan en omdat de ander bereid is naar mijn gedachten te luisteren. Dan gaan we ‘de mens’ zien. Daar eindigt verdeeldheid en begint verbinding. Die verbinding betekent niet een vereenzelviging met andermans visies, die verbinding betekent dat we de ander verwelkomen in ons leven. Dan staat de koffie klaar! Ik heb hier bijzonder positieve ervaringen mee, ook als standpunten haaks op elkaar staan.”

“Wie de homo-mens niet of te weinig ziet staan, moet zijn mond houden over homo-praxis.”

Als een homo in een orthodox-christelijke kerk uit de kast komt, ervaren mensen vaak geen ruimte voor een soortgelijk gesprek zoals jullie die hebben gevoerd. Een christelijke homo verlaat in veel gevallen de kerk en soms wordt een gemeenschap er zelfs door verscheurd. Hoe kunnen kerken met zo’n situatie omgaan zonder de eigen bijbelse principes te verloochenen?

“Door het taboe van het onderwerp af te halen”, maakt Lapré duidelijk. “Dat doe je door erover te spreken, om te beginnen misschien in een werkgroep, maar daarna ook gemeentebreed. Veel gedoe ontstaat, omdat een homo uit de kast komt en men op dat moment niet weet waar als gemeenschap te staan. Gelukkig gaat dit langzamerhand beter en wordt het gesprek erover steeds vaker gevoerd.

De uitkomst van al die gesprekken kan bijvoorbeeld zijn, dat als een homo een relatie aan wenst te gaan met iemand van hetzelfde geslacht, hij of zij taken neer moet leggen. Mijn oproep is: communiceer dit! Zo maak je helder dat je niet de lhbt’er als persoon afwijst, maar dat je consequenties verbindt aan een keuze waar je als gemeente niet achter kunt staan. Dit kan nóg heel pijnlijk zijn voor de lhbt’er in kwestie (die natuurlijk altijd zelf kan bepalen te blijven of te gaan), maar is minder pijnlijk dan ‘uit het niets’ te zeggen: ‘Tja Henk, dan zul je toch moeten stoppen als zangleider.’

De uitkomst van de gesprekken kan ook zijn dat een gemeente de visie op homorelaties niet beschouwt als de kern van het evangelie rakend en als iets waarover men van mening mag verschillen. Ook dan geldt: communiceer dit! Hier valt erg veel meer over te zeggen”, aldus Lapré, verwijzend naar zijn boeken De veilige kerk en Van hart tot hart.

Ouweneel herkent zich niet in hoe de orthodox-christelijke gemeente in de vraagstelling wordt neergezet. “Dit is deels een verouderde stand van zaken is. Ik hoorde ‘toevallig’ juist van een van de strengste denominaties uit de gereformeerde gezindte in Nederland, dat daar een jongeman ‘uit de kast’ gekomen was en buitengewoon vriendelijk en welwillend was opgevangen door de andere kerkleden. Van een seksuele relatie kon volgens die kerk voor hem geen sprake zijn – en daar ben ik het mee eens – maar mede daarom probeerde men hem zo behulpzaam mogelijk terzijde te staan.

Wie de homo-mens niet of te weinig ziet staan, moet zijn mond houden over homo-praxis. Wat dat betreft is er veel ten goede veranderd, denk ik: dertig jaar geleden kon een hele kerk totaal ontredderd zijn als iemand ‘uit de kast’ kwam, doordat men zeker had menen te weten dat ‘zoiets bij ons niet voorkomt’. Vandaag mogen we vermoeden dat in elke gemeente gemiddeld zo’n 5% van de leden een homo-aanleg heeft.”

“Toen ik jong was, vond ik principes uitermate belangrijk. Dat vind ik nog wel, maar vandaag zou ik liever zeggen dat mensen altijd belangrijker zijn dan standpunten.”

In de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) wordt een homorelatie bestempeld als onbijbels en zondig. Mensen met een homorelatie zijn om die reden niet welkom aan de avondmaalstafel. De CGK in Zwolle is het hier niet mee eens. Eind vorig jaar was hierover zonder succes een regionale kerkvergadering. Wat zouden jullie naar aanleiding van de briefwisseling willen meegeven aan de CGK en de kerk in Zwolle die het niet eens is met het landelijke beleid?

Ouweneel: “In de eerste plaats mededogen met dat kerkgenootschap als geheel. De CGK is overkomen wat, vrees ik, nog heel wat andere kerkelijke richtingen is overkomen (denk aan de Anglicanen wereldwijd) of nog gáát overkomen: een diep meningsverschil over het al of niet toelaten aan de avondmaalstafel van mensen met een homorelatie. Er zijn wel meer diepe verschillen binnen de CGK, maar als het daar inderdaad tot een breuk zou komen – wat buitengewoon tragisch zou zijn – zal deze homo-kwestie vermoedelijk helaas een van de voornaamste breekpunten zijn. Ik heb daarin geen advies; ik kan alleen maar meehuilen met de duizenden die straks de slachtoffers van zo’n scheuring zullen zijn.”

Lapré: “Voor wat het waard is: doe nog een gezamenlijke poging te praten over de rol van het persoonlijke geweten van iedere gelovige, die leeft -zo mogen we geloven- onder leiding van de Heilige Geest. Durven we de uitdaging aan om iemand met wie we het fundamenteel oneens zijn te ontmoeten aan de avondmaalstafel? Waarom zouden we als gelovigen elkaar het brood des levens onthouden, terwijl we kisten vol brood weggeven aan duizenden mensen (gelovig en niet-gelovig) om hun honger te stillen?”

Sinds de publicatie van de Nashvilleverklaring is hier en daar de indruk ontstaan dat christenen moeten kiezen. Of je bent voor de Nashvilleverklaring en dus tegen de homopraxis óf je laat alle bijbelse principes varen. Sommige christenen voelen daardoor de druk om een van beide kampen te kiezen. Jullie briefwisseling heeft aangetoond dat deze zwart-wit voorstelling niet de praktijk is. Is het mogelijk om een middenpositie in te nemen zonder water bij de bijbelse wijn te doen?

Lapré: “Je kunt gerust tegen homorelaties zijn én de Nashvilleverklaring als een (min of meer) mislukt document beschouwen, al was deze alleen maar onpastoraal van karakter. Dat doen veel christenen ook en volgens mij niet met gevaar voor eigen positie. Ik ben nog geen christenen tegengekomen die menen dat als tegen de Nashvilleverklaring wordt gekozen daarmee alle bijbelse principes worden losgelaten. Mochten die christenen er wel zijn, dan zou ik zeggen: leg uit wat je bedoelt als de Nashvilleverklaring niet bij jou op het nachtkastje ligt.”

“Ik heb destijds nogal verontwaardigd gereageerd op de Nashvilleverklaring vanwege het volstrekt onpastorale karakter ervan”, herinnert Ouweneel zich. “De Amerikaanse versie was nog erger; de Nederlandse versie probeerde met een pastoraal nawoord de zaak nog een beetje recht te trekken. Waarom konden die Nederlanders dan zelf niet een betere verklaring opstellen? Het is inderdaad mogelijk een opstelling te kiezen waarin je dit type harteloze verklaringen afwijst, en tegelijk de homopraxis afwijst. In het gesprek met de ander kan dit afwijzen van de homopraxis alleen je laatste woord zijn, nadat je eerst voluit naast de homo-naaste bent gaan staan. Je zegt toch ook niet alleen maar dat seks buiten de huwelijksband niet mag zónder een pastoraal woord voor weduwen en weduwnaars en ongewenst ongehuwden? Toen ik jong was, vond ik principes uitermate belangrijk. Dat vind ik nog wel, maar vandaag zou ik liever zeggen dat mensen altijd belangrijker zijn dan standpunten.

De mooiste illustratie in de Bijbel is misschien wel het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes 8. Jezus noemt haar overspelige gedrag ronduit ‘zonde’, want Hij zegt: “Ga heen, zondig niet meer.’ Daar is dus geen discussie over. Maar Hij wil ook niet dat ze geëxecuteerd wordt door een stelletje huichelaars die allemaal hun eigen (seksuele) zonden hebben. ‘Wie van u zonder (seksuele) zonde (van welke aard dan ook) is, laat die de eerste steen naar de homo-broeder of -zuster werpen.’”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Voor mij kwam God in alle hevigheid OUT | getuigenis

Gerald Reiling

Gerald (r) met zijn op 11 oktober jarige kameraad en ene helft van de tweeling Johan Westerhof

Het bijzondere van een getuigenis is dat deze het verhaal van een individu vertelt, een verhaal waar je eigenlijk alleen maar welwillend naar kunt luisteren om er vervolgens wellicht door geraakt te worden. Zo ook dit getuigenis van Gerald Reiling. Ik ontmoette Gerald 11 oktober 2019 in Groningen, toen ik in deze prachtige stad een lezing mocht geven over homoseksualiteit en de bijbel. Pas veel later hoorde ik dat zich op die avond een bijzonder werk van God in het leven van Gerald heeft voltrokken. Omdat ik geloof in de kracht van verhalen, deel ik het getuigenis van Gerald graag met jullie.

11 oktober is een dag die in mijn geheugen gegrift staat. Op deze herfstdag vier ik al meer dan 25 jaar de verjaardag van twee vrienden, een hem en een haar, een tweeling. Vroeger vierden ze het wel eens samen, maar nu ze allebei gezinnen hebben en de tijd verstrijkt is dat minder praktisch en als tweeling wil je ook wel eens je verjaardag vieren en niet delen met de ander.

Vorig jaar trok deze datum om een andere reden mijn aandacht. Een aankondiging op social media met de regenboogkleuren en daaromheen een witte lijn die overgaat in een kruis trok mijn aandacht. De woorden “Ik ken je” deden mijn wenkbrauwen fronsen. Wat dachten die LHTB’ers wel niet, dat God zich in een door hen gewenst hoekje zou laten drukken? Geef die strijd toch op en zoek elkaar op om veilig te vieren wat je wilt. Echt bijbels geloof en homoseksualiteit gaan gewoon niet samen, accepteer dat gewoon en besteed je energie aan wat beters.

Ik liet deze gedachten voor wat ze waren en ik was benieuwd op welke verjaardag ik uit zou komen. De belofte van gezelligheid met vrienden kwam mij prima uit, het was tijd voor een feestje! Naarmate oktober vorderde begreep ik dat er andere plannen waren, de tweeling vierde dat jaar geen verjaardag op de 11e.

Ik merkte dat ik nieuwsgierig werd naar wat er door de aangekondigde spreker, John Lapré, verteld zou worden. Hoewel ik mezelf als behoorlijk vrijgevochten persoon beoordeelde, hikte ik toch wat tegen een bijeenkomst als deze aan omdat ik geen idee had wie of wat ik daar aan zou treffen. Bijbelstudies, bidstonden, preken en zangdiensten; voor mij gesneden koek. Maar een homo die vanuit de bijbel zou gaan spreken was voor mij onbekend terrein.

Die vrijdagavond zorgde ik dat ik ongeveer een kwartier voor aanvang van John’s lezing op de locatie aankwam. Ik miste iemand bij de voordeur van het gebouw en had meteen al voeding voor mijn kritische houding: “Lekker welkom zeg, niemand om je vriendelijk binnen te laten”, en dat bevestigde mijn idee van: ze doen maar wat, en zijn zich niet eens bewust van minimaal gastheerschap.
In de zaal waren al behoorlijk wat mensen aanwezig. Mensen, nee joh, je kent ze! Kijk, daar zat dat oude voorgangerechtpaar, ik heb een zwak voor ze maar ze zijn zeker weten enorm bijbelgetrouw . . . Daarnaast een ander stel dat ik via bijbelstudies had leren kennen. Later kwam ook nog die aardige vent van de baptisten binnen, die ik op social media volgde vanwege hartverwarmende initiatieven in Groningen. Toen het bijna tijd was kwam die aardige katholieke homo, met wie ik al eens in gesprek was geweest over geloof en kerk, naast mij zitten.

Het voelde dubbel om hier te zijn. Een zaaltje met rijen stoelen en een duidelijke plaats voor de spreker was mij vertrouwd. Een publiek dat overduidelijk gepolariseerd zou denken, gaf mij wat zorgen over het verloop van de avond.
Toen ik mijn kopje koffie had leeggeslobberd, begon John Lapré zijn uiteenzetting. Hij noemde de namen Adam & Evert, en ik kromp ineen over wat de aanwezige Evert wel niet zou denken. Toen ik schichtig achterom keek, zag ik tot mijn verbazing dat deze er plezier in had en hij lachte breeduit. John had in de smiezen dat er iets in de zaal gebeurde, maar hij liet zich daardoor niet afleiden en ging relaxed door met zijn betoog. Ik begreep al gauw dat dit opletten geblazen was voor mij en ik begon driftig aantekeningen te maken van de genoemde bijbelteksten en de onderlinge verbanden, voor het geval het te snel ging en ik later alsnog eens kritisch de boel zou kunnen afserveren.

Maar, zo ging het helemaal niet. Het aantekeningen maken was al snel totaal overbodig! Binnen 30 minuten verliet de Nashvilledemon zonder schuimbekken en uitroepen van pijn of angst mijn vertrouwde denksysteem. Het overdonderde mij dat er zonder mijn goedkeuring en zelfs zonder mijn specifieke wens priesterlijk werk aan mij werd verricht, althans, zo ervoer ik het, en zo kijk ik er nog steeds op terug.

Het feestelijke gevoel van thuiskomen was alle reden om de jarige tweeling en andere vrienden snel op de hoogte te brengen van mijn geleerde les en te delen in mijn blijdschap. Ik heb toen ook spijt en schaamte geïncasseerd want van mijn intimi, die ik succesvol buiten mijn gespleten relatie homoseksualiteit en geloof had weten te houden, kreeg ik ook reacties als: “Ah Gerald, dat inzicht hadden wij al lang!”. Of: “Ik snapte totaal niet je motivatie voor verandertherapie, ik ben blij dat je er weer bent zoals je werkelijk bent”.
Het is genieten van het feit dat ik niets meer hoef te worden, maar dat ik er gewoon mag zijn, inclusief mijn niet-hetero zijn, inclusief mijn band met de liefde met hoofdletter L. Gods arm is niet te kort om te verlossen. En ook sterk genoeg om je uit modderige omstandigheden te trekken.

11 oktober: een jarige tweeling en Coming Out dag. Voor mij kwam God in alle hevigheid OUT, en ik mag daar gewoon achteraan gaan.

Gerald Reiling

2 reacties

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Slotbrief Ouweneel aan John Lapré: ‘Welkom om een kop koffie met Gerdien en mij te komen drinken’ | brief 6/6

john-lapré-en-willem-ouweneelRelaties tussen homofiele personen van hetzelfde geslacht noemde Willem Ouweneel onlangs in zijn rijtje ‘veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’. John Lapré heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door de opmerking van Ouweneel. Het leidde tot een briefwisseling op CIP.nl waarin Lapré en Ouwenaal in elkaars hart keken. Vandaag de slotbrief van Ouweneel!

Lees hier brief 1 (JL), hier brief 2 (WJO), hier brief 3 (JL), hier brief 4 (WJO) en hier brief 5 (JL).

Hallo John,

Dank voor je toelichting over ‘theologie van de ogen’! Ik heb een christen-apologeet gekend van wie men zei dat hij elk debat met andersdenkenden wist te winnen, maar daarbij altijd zijn opponent ‘kwijtraakte’. Zo moet het inderdaad niet. Een van de moeilijkste dingen is echt in de huid van je opponent te kruipen; lukt dat niet, dat praat je in wezen in de ruimte. Dat geldt voor christenen die vanuit heel verschillende theologische denkkaders redeneren, maar het geldt misschien nog wel meer als het om ethische zaken gaat. Zo ongeveer wanneer een gehuwde en een ongehuwde debatteren over de praktische waarde van het huwelijk. Maar ook bijvoorbeeld wanneer een gelukkig getrouwde hetero en een worstelende homo discussiëren over wat er wel en wat er niet ‘kan’ op het terrein van de seksualiteit. Dat gaat natuurlijk nooit alleen over theologie en ethiek; veeleer gaat het om diep existentiële overtuigingen, waar ‘argumenten’ uiteindelijk allemaal op afglijden.

Ik neem met interesse kennis van je visie op de oorspronkelijke ‘mens’. Maar ik vind dat je Genesis 2 dan toch wel overvraagt…

Daarom kunnen de vragen die je in je tweede alinea stelt, nooit definitief beantwoord worden, en wel op een manier die voor iedereen geldig is. Dat is alleen al zo omdat hetero’s onderling, maar ook homo’s onderling (denk aan de bewust celibataire homo’s) tot heel verschillende inzichten komen. Uiteindelijk is het verschil precies zoals jij het formuleert: voor jou betekent het feit dat de bijbelse norm voor het huwelijk het huwelijk tussen een man en een vrouw is, niet dat seks uitsluitend in het bijbelse huwelijksmodel kan worden beleefd. En voor mij betekent het dat wel. Dat is voor mij een soort grondregel. Die regel wordt voor mij niet opzijgezet door de vraag hoe de seksualiteit in menig man-vrouwhuwelijk feitelijk wordt beleefd, terwijl dat voor jou blijkbaar wel een geldige vraag is. Dat kan ik begrijpen, en het zij zo.

Dit is de laatste van onze zes brieven, zoals we samen afgesproken hebben. Zonder jou opnieuw prikkelende vragen te stellen (want die zou je niet meer kunnen beantwoorden) kan ik in ieder geval proberen vast te stellen waar de verschillen ongeveer liggen. En wat ik net noemde, is zo’n verschil.

Ik neem met interesse kennis van je visie op de oorspronkelijke ‘mens’ (ha-adam). Blijkbaar ben je de rabbijnse mening toegedaan dat de oorspronkelijke adam nog niet ‘man’ of ‘vrouw’ was, maar in zekere zin beide: de ongedeelde mens. Ik ben daar niet zo zeker van, omdat het toch een isj (‘man’) is die een isja (‘mannin’, d.i. ‘vrouw’) tegenover zich krijgt. Dát vind ik het boeiende van Genesis 2: man en vrouw zijn elkaars complement, ze vullen elkaar aan, ze vormen een eenheid. Dat is zo mooi, juist doordat de één van ‘Mars’ en de ander van ‘Venus’ komt, als ik even een seculier beeld mag gebruiken. Psychologisch kan ik me best voorstellen dat twee personen van ‘Mars’ in bepaalde opzichten óók elkaars complement blijken te kunnen zijn, zoals we dat ook kennen uit boezemvriendschapsrelaties tussen hetero’s van hetzelfde geslacht. Maar ik vind dat je Genesis 2 dan toch wel overvraagt… Geen twee ‘Marsianen’ kunnen ooit elkaars complement zijn zoals een ‘Marsiaan’ en een ‘Venusiaan’ dat wél kunnen, niet alleen biologisch, maar ook psychologisch.

Als jullie mijn gevoelen over homoseksuele relaties respecteren, zijn Lionel en jij hartelijk welkom om een kop koffie met Gerdien en mij te komen drinken!

In je één na laatste alinea breng je de woorden ‘zondig’ en ‘zondigheid’ ter sprake, nadat ikzelf eerder over ‘zondige wegen’ had geschreven. Zelf probeer ik die woorden liefst te vermijden, omdat maar al te vaak het gesprek over homoseksualiteit bij voorbaat wordt afgesneden door de opmerking ‘homoseksualiteit is zonde’ – waarbij dan ook nog eens (volkomen misplaatst) Genesis 19, Romeinen 1 en 1 Korinthiërs 6 en dergelijke worden aangevoerd. Zo wilde ik er niet over spreken. Maar nu de ‘zonde’ toch ter sprake komt – je weet ook dat het Hebreeuwse woord voor ‘zondigen’ zoveel betekent als ‘het doel missen’ (bijv. bij het pijlen schieten). En daar zit hem nu weer de kneep. Omdat jij zelf niet meer kunt antwoorden, zal ik het voor je doen. Als twee mannen zielsveel van elkaar houden, ook lichamelijk, en een relatie aangaan, hebben ze dan ‘het doel gemist’ óf juist het doel van hun leven, althans op dit punt, gevonden? Mijn antwoord zou een wedervraag zijn: is het aangaan van een (ook seksuele) relatie tussen twee mensen van gelijk geslacht nu juist niet ‘het doel van de seksualiteit’ missen, en daarmee ook het doel van het Godgegeven huwelijk missen?

Ik laat de vraagtekens maar staan, John, omdat je niet meer kunt reageren. De vragen blijven in de lucht hangen, en laat ieder die met ons mee leest, er zelf maar een antwoord op proberen te formuleren. En zich daarbij afvragen in hoeverre het feit dat hij/zij een homo of een hetero is, bij die beantwoording een rol speelt. Met andere woorden: wie is in deze zaak ‘objectief’?

John, ook ik moet nu afsluiten. Als jullie mijn gevoelen over homoseksuele relaties respecteren, zijn Lionel en jij hartelijk welkom om een kop koffie met Gerdien en mij te komen drinken! In ieder geval laat zij jou hierbij alvast hartelijk groeten.

Nogmaals van harte Gods zegen gewenst!

Willem J. Ouweneel

P.S. En we beloven elkaar dat we ons niets aantrekken van de mensen die vinden dat ik of (veel) te hard, of (veel) te zacht op jou gereageerd heb, zeker als die twee groepen elkaar aardig in evenwicht houden….

1 reactie

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Laatste brief John Lapré aan Ouweneel: ‘Met theologische revolvers kunnen we de ander overhoop schieten’ | brief 5/6

john-lapré-en-willem-ouweneel‘Bescheidenheid kan maar al te gemakkelijk misbruikt worden om elke bijbeluitleg te relativeren en zelfs helemaal aan de kant te schuiven’, aldus Willem Ouweneel in zijn meest recente vervolgbrief. John Lapré heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door een recente opmerking van Willem Ouweneel in deze column. Sindsdien is het tweetal een briefwisseling op CIP.nl gestart. Vandaag de laatste brief van John!

Lees hier brief 1 (JL), hier brief 2 (WJO), hier brief 3 (JL) en hier brief 4 (WJO).

Beste Willem,

Bedankt voor je reactie op mijn tweede brief vorige week.
Je vraagt me wat ik versta onder een ‘theologie van de ogen’. Ik geloof dat we alleen kille theologie zullen bedrijven, als we vergeten tot wie de woorden van God zijn gericht, de ander dus.

Kille theologie is vaak roekeloze theologie, omdat we in het slechtste geval met theologische revolvers gemakkelijk een ander overhoop kunnen schieten, misschien zelfs wel menend God ermee een dienst te bewijzen.

Door de ogen van de ander te zien, gaan we bij het bedrijven van theologie heel anders uit de startblokken dan wanneer we dat niet doen. Dan ontstaat ruimte eenheid te vinden in wat de kern van het evangelie uitmaakt en zijn verschillende meningen over zaken in de schil daarbuiten (invulling zondagsrust, geven van tienden, homoseksualiteit, enz.) geen reden de ander niet als broeder of zuster te beschouwen.

Je geeft aan dat seks puur de uitdrukking van liefde kan zijn, dus zonder dat van voortplanting sprake is. Daarnaast geef je aan moeite te hebben met homoseksuele relaties, omdat seks daarin een rol speelt en deze alleen binnen de muren van een huwelijk tussen een man en een vrouw tot ontplooiing mag komen. Ik vraag me af, maar dat zal je gezien mijn levensstijl niet verbazen, of je daarmee niet teveel inleest in de Bijbel. Waarom zou seks als uitdrukking van liefde en anders dan in de vorm van promiscue uitspattingen alleen binnen die muren een waardige plek kunnen krijgen? Is seks exclusief binnen het huwelijk reden voor een groene kaart, ook als het gaat om partners die voor bijvoorbeeld de comfort nog bij elkaar zijn en voor de vorm zo nu en dan het bed delen? En moeten homostellen, die gewetensvol (en vaak zo anders dan de goegemeente denkt) seks beleven, altijd rekenen op een rode kaart? Ik vind dat, om eerlijk te zijn, niet overtuigend. Voor mij is liefde én trouw tussen mensen leidend. Dat ik vind dat de bijbelse norm voor het huwelijk het huwelijk tussen een man en een vrouw is, betekent niet dat ik dus ook vind dat seks uitsluitend in het bijbelse huwelijksmodel kan worden beleefd. Dan zou seks met jezelf ook ernstig te veroordelen zijn. Daarover gesproken: over zelfbevrediging spreek je, terecht, buitengewoon mild.

In een eerdere brief schreef ik dat we in de kerk wel erg veel oog hebben voor de scheppingsorde, maar heel weinig voor de scheppingsvolgorde. Je vraagt me het verschil tussen ‘scheppingsorde’ en ‘scheppingsvolgorde’ uit te leggen.
In het allereerste begin van de mensheid is er alleen ha-adam, het aardwezen dat is gemaakt van het stof van de aarde (adama). Ha-adam is geen man en ook geen vrouw, maar een mens-wezen. Dat mens-wezen is een levende ziel en God moet gezien hebben dat het mens-wezen behoefte heeft aan verbinding (Gen. 2:18). Daarop vormt God dieren en het mens-wezen mag ze allemaal een naam geven. Dan staat er dat er tussen de dieren geen helper zit die bij het wezen paste! Ha-adam treft geen partner aan tussen de dieren. Dan gaat God verder en neemt uit de slapende mens een rib. Hij schept isja. God schept een medemens. De mens roept uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees.’ (Gen. 2:23) Het is de mens (!) die dat uitroept, niet God die zegt: ‘Hier heb je een gelijke, je eigen gebeente, je eigen vlees.’ De méns kiest voor de medemens. Ik lees daarin een vrije keus. Tussen de dieren zit geen geschikte partner, maar ha-adam ziet de medemens helemaal zitten. Pas ná het geraakt zijn van de mens door de medemens, ontstaat er focus op gender, als ha-adam zegt: ‘een die zal heten: vrouw (isja), een uit een man (isj) gebouwd.’
Wat als we in de kerk de ‘volgordelijkheid’ van de schepping aanhouden? Te snel zijn we, als ik het goed zie, geneigd te denken in termen van seksualiteit (de man die in de vrouw past). Zou het niet mooi zijn als we eens een stap terug doen en de ander royaal de kans geven om uit vrije wil een helper te vinden die bij hem of haar past?

Te snel zijn we, als ik het goed zie, geneigd te denken in termen van seksualiteit (de man die in de vrouw past).

Dan nog over polygamie. Je schrijft dat er in de Bijbel in polygame relaties altijd narigheid is en dat daarin indirect een veroordeling besloten ligt. Ondanks dat kan ‘God van onze zondige wegen gebruik maken om zijn plannen te verwerkelijken’, voeg je eraan toe. Toch denk ik dat we ook hier voorzichtig moeten zijn om polygamie uit de dagen van weleer als ‘zondig’ te beschouwen. Dat in de Bijbel alleen negatieve voorbeelden staan, betekent niet dat er ook polygame relaties geweest kunnen zijn die het heel goed hebben gedaan. Daarnaast: is ‘narigheid’ de juiste graadmeter voor het antwoord op de vraag of een relatie zondig is of niet? Als dat zo is, kunnen we misschien ook maar beter het heterohuwelijk opdoeken. De scheidingsstatistieken liegen niet.

Willem, ik sluit af. Ik ben erg dankbaar dat we op deze manier, al is het in een beperkt aantal woorden, onze gedachten met elkaar hebben kunnen delen. We zijn het op punten oneens en toch elkaars broeders, hoe mooi is dat!

Een hartelijke groet, ook aan Gerdien. Voor jullie beiden Gods zegen!

John Lapré

1 reactie

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Ouweneel reageert op vervolgbrief John Lapré: ‘Laten we niet elke bijbeluitleg relativeren’ | brief 4/6

john-lapré-en-willem-ouweneel‘Als ik met Lionel bij jou kom in de gemeente, zou je me dan de zegen van God op onze relatie willen en kunnen geven?’ Met deze vraag sloot John Lapré zijn meest recente vervolgbrief af. Hij heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door een recente opmerking van Willem Ouweneel in deze column. Sindsdien is het tweetal een briefwisseling op CIP.nl gestart. Vandaag beantwoordt Ouweneel de vervolgbrief van Lapré in deel 4 van de briefwisseling.

Lees hier brief 1 (JL), hier brief 2 (WJO) en hier brief 3 (JL).

Hallo John,

Dank voor je tweede brief! Je moet me nog maar eens nader uitleggen wat je onder een ‘theologie van de ogen’ verstaat: betekent het dat, als je elkaar diep in de ogen kijkt, de leerstellingen zich meer gaan vormen naar de praktijk? Dat zal gedeeltelijk wel het geval zijn. Toch moet je uitkijken met een zin als: ‘Onze eenheid ligt niet in ons standpunt over homoseksualiteit, maar in Jezus Christus.’ Dat is waar, maar je kunt ‘standpunt over homoseksualiteit’ niet zomaar door elk ánder standpunt vervangen. Maar dat bedoel je ook niet.

Toch moet je uitkijken met een zin als: ‘Onze eenheid ligt niet in ons standpunt over homoseksualiteit, maar in Jezus Christus.’ Dat is waar, maar je kunt ‘standpunt over homoseksualiteit’ niet zomaar door elk ánder standpunt vervangen.

Je hebt natuurlijk gelijk als je zegt dat onze opvattingen gekleurd worden door de cultuur waarin we groot geworden zijn, en óók door de kerkelijke richting die ons gevormd heeft en het gezin waarin we zijn opgevoed. Niemand van ons is neutraal, objectief en onbevoordeeld in zijn uitleg van de Schrift, hoezeer we haar ook liefhebben en ons best doen haar zo zorgvuldig mogelijk uit te leggen. En waar de Bijbel geen expliciete uitspraken doet, moeten we voorzichtig zijn met van alles eruit te willen afleiden. Maar je zult het ook met me eens zijn dat zulke bescheidenheid maar al te gemakkelijk misbruikt kunnen worden om elke bijbeluitleg te relativeren en zelfs helemaal aan de kant te schuiven. We moeten proberen hier de juiste middenweg te bewandelen. Soms zeggen we: ‘Er staat geschreven’ (zoals Jezus tegenover de duivel deed), en soms zeggen we: ‘Wat dit betreft heb ik geen gebod van de Heer ontvangen, dus ik kan je niet meer geven dan mijn persoonlijk aanvoelen van de Bijbel’ (vgl. 1 Kor. 7:25).

Wat het huwelijk betreft, je hebt gelijk: het huwelijk is heel wat méér dan seks. In Genesis 1 ligt de nadruk op seks als middel tot de ‘vermenigvuldiging’; daar gaat het om het lichamelijk verschil tussen man en vrouw, dat dient als middel tot de voortplanting. Maar in Genesis 2 gaat het om de lichamelijke eenheid van man en vrouw als uitdrukking van liefde en trouw zónder dat van voortplanting sprake is. Seks is hier puur de uitdrukking van liefde, net als in het Hooglied (waarin veel erotische aspecten, maar géén kinderen voorkomen). In beide gevallen is seks echter belangrijk; de diepste waarde van een relatie mag dan met ogen, arm en schouder te maken hebben, zoals jij zo mooi zegt. Maar een huwelijk is méér dan een vriendschapsrelatie. Daarom is het huwelijk zo’n belangrijke instelling: het is een stevige band om een stel dat een seksuele relatie onderhoudt én een stevige band om een gezin bestaande uit ouders en kinderen. Je kunt die dingen niet van elkaar losmaken, om er bijvoorbeeld alleen de vriendschap en de seks uit te halen. Die dingen zijn niet los verkrijgbaar – en misschien spreek ik dáármee wel mijn grootste moeite met homoseksuele relaties uit.

Leg me trouwens eens uit wat je verstaat onder het verschil tussen ‘scheppingsorde’ en ‘scheppingsvolgorde’. Voor de rest kom ik natuurlijk niet aan jouw persoonlijke ‘ontdekkingen’ in je omgang met God en de Bijbel. Het is ook niet aan mij een oordeel te vellen over de conclusies waartoe zo’n zoeker komt – tenzij hij expliciete bijbelse geboden zou overtreden (zoals prostitutie, overspel, e.d.).

Dat God van onze zondige wegen gebruik kan maken om zijn plannen te verwerkelijken betekent nooit een excuus voor die zonden. Maar dat weet jij natuurlijk ook.

Kijk wel uit wat voor conclusies je trekt uit wat de Bijbel zegt – of niet zegt – over polygamie. Je zegt terecht dat de Bijbel wel degelijk aangeeft wat de norm is: het huwelijksverbond (Mal. 2:14-15) van de ene man en de ene vrouw. Daarom moet de oudste een ‘man van één vrouw’ zijn (1 Tim. 3:2) om daarmee een voorbeeld te zijn voor de anderen. In polygame relaties is er in de Bijbel altijd narigheid: bij Abraham (Sara en Hagar), bij Jakob (Lea en Rachel), bij Elkana (Hanna en Peninna), bij David (de halfbroers Amnon en Absalom), bij Salomo (die door zijn vele vrouwen tot afgoderij werd gebracht). Indirect ligt daarin wel degelijk een veroordeling besloten: ‘Kijk eens wat er gebeurt als je Gods norm aan je laars lapt!’ Dat God van onze zondige wegen gebruik kan maken om zijn plannen te verwerkelijken betekent nooit een excuus voor die zonden. Maar dat weet jij natuurlijk ook.

John, als je met Lionel bij ons in de gemeente komt, zijn jullie hartelijk welkom. Als jullie je echter zouden willen aansluiten, zal er wel discussie losbranden (de uitkomst daarvan kan ik niet voorspellen). Ik zou ook best een zegen over jullie willen uitspreken – maar ook over jullie relatie? Dat mag je niet van me vergen…

Toch wens ik je opnieuw van harte Gods zegen!

Willem J. Ouweneel

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Vervolgbrief John Lapré aan Ouweneel: ‘Een relatie is zoveel meer dan seks alleen’ | brief 3/6

john-lapré-en-willem-ouweneel‘Als gelukkig getrouwde hetero heb ik makkelijk praten. Toch blijft staan dat ik homorelaties niet kan inpassen in wat de doorgaande lijn van de Bijbel is als het om het huwelijk gaat’, aldus Willem Ouweneel vorige week. John Lapré heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door een recente opmerking van Ouweneel in deze column. Vorige week begonnen ze op CIP.nl een briefwisseling. John Lapré reageert vandaag op het antwoord van Ouweneel op Lapré’s openingsbrief.

Beste Willem,

Hartelijk dank voor je reactie op mijn eerste brief. Door je woorden heen voel ik de warmte van eenheid door verscheidenheid heen. Het is prachtig te zien hoe je in staat bent mijn homoseksuele gerichtheid en het feit dat ik met een manspersoon het leven deel niet als een wig tussen ons beiden te laten werken. Je noemt mij zelfs ‘broeder in Christus’. Vanuit die startpositie praten we met elkaar over leer én de soms weerbarstige praktijk van het leven. Dat doen we als mensen, mensen die elkaars gezicht durven te zien. Dan praten we niet alleen maar over een ‘gevoelig thema’, maar steken we een spade dieper, naar het hart van de ander. Zo vormt zich de -wat ik noem- ‘theologie van de ogen’. Ik geloof dat met de ‘theologie van de ogen’ heel wat religieuze strijdbijlen in kerkelijk Nederland begraven zullen worden. Onze eenheid ligt niet in ons standpunt over homoseksualiteit, maar in Jezus Christus.

Het is prachtig te zien hoe je in staat bent mijn homoseksuele gerichtheid en het feit dat ik met een manspersoon het leven deel niet als een wig tussen ons beiden te laten werken.

Mooi hoe je in de brief wat meer duiding geeft aan wat je schreef in je eerdere column. Nu begrijp ik je beter. Ik geloof ook dat het ontwerpen van een God, door daar een emmer eigen smaak en voorkeur overheen te gieten, zal leiden tot conclusies/ standpunten die je niet meer kunt verdedigen met de Bijbel. Tegelijkertijd geloof ik dat we allemaal zo’n emmer ‘in de schuur’ hebben staan, alleen al door het feit in een westerse cultuur te wonen. Dat maakt nog niet dat we zo’n emmer ook gaan uitgieten, maar we komen dan toch weer op het punt van voorzichtigheid. We mogen wel een gezond wantrouwen richting onszelf hebben. We moeten wel van zeer goede huize komen als we zeggen: ‘God zegt…’ of ‘God vindt…’

Over die westerse cultuur gesproken. Zou de verseksualisering van de maatschappij ook niet doorgedrongen zijn in de kerken? In je brief herhaal je mijn woorden dat ik geloof dat het bijbelse huwelijk het huwelijk is tussen een man en een vrouw. Direct daarop schrijf je: ‘Dat is de normale orde der dingen. De geslachtsorganen zijn in de eerste plaats ontworpen opdat mensen zich zouden voortplanten.’

Ik snap wat je bedoelt en ben het ook niet oneens, maar ook hier proef ik de directe link tussen het huwelijk of een relatie en seks. Soms word ik daar wel eens een beetje moe van. Er wordt vaak zomaar vanuit gegaan dat een homostel de geslachtsorganen als strijdig met de normale orde der dingen gebruikt. Om nog maar te zwijgen over dat een relatie, ook als het met iemand van hetzelfde geslacht is, zoveel meer is dan seks alleen. ‘Huwelijk’ en ‘geslachtsorganen’ in één adem noemen, doet in mijn ogen flink tekort aan de werkelijke en diepste waarde van een huwelijk of relatie. Misschien draait die diepste waarde wel vooral om de ogen van de ander, de arm om de middel, de schouder om op te rusten.

Hoewel ik geloof dat God onveranderlijk en heilig is, is toch zichtbaar dat Hij zich elke keer openbaart binnen onze cultuur en daarbij zelfs rekening houdt met onze tijd en cultuur.

Homorelaties kan je niet, zo schrijf je, inpassen in de doorgaande lijn van de Bijbel als het om het huwelijk gaat. Hoe dan in de praktijk? We komen inderdaad in een ethisch ‘niemandsland’ waar de meningen zeer uiteengaan en waar ‘wensdenken’ zeker een rol kan gaan spelen. Toch heb ik in mijn persoonlijke zoektocht naar Gods wil voor mijn leven als het gaat over het omgaan met mijn homoseksuele gevoelens ontdekkingen gedaan die mij hebben doen openstaan voor de vervulling van een heel diep verlangen naar verbinding. Mijn eerste ontdekking was dat we in de kerk erg veel oog hebben voor de scheppingsorde, maar (in mijn ogen onterecht) heel weinig voor de scheppingsvolgorde. Mijn tweede belangrijke ontdekking was dat God in de doorgaande lijn van de Bijbel meeveert in en anticipeert op de (soms gebroken) werkelijkheid van het dagelijkse leven. Ik spreek hier regelmatig over en vertel er uitvoerig over in het boek ‘Van hart tot hart’ dat ik met de evangelische voorganger Wieger Sikkema heb geschreven. Om een voorbeeld te noemen: in Genesis 29 en 30 zien we dat, hoewel het monogame huwelijk de bijbelse norm is, er nergens een expliciete veroordeling van polygamie klinkt en dat God het zelfs benut om zijn plan te realiseren. Hoewel ik geloof dat God onveranderlijk en heilig is, is toch zichtbaar dat Hij zich elke keer openbaart binnen onze cultuur en daarbij zelfs rekening houdt met onze tijd en cultuur.

Willem, iets anders nog. Als ik met Lionel bij jou kom in de gemeente, zou je me dan de zegen van God op onze relatie willen en kunnen geven?

Hartelijke groet,
John Lapré

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Ouweneel reageert op brief John Lapré: ‘Als gelukkig getrouwde hetero heb ik makkelijk praten’ | brief 2/6

john-lapré-en-willem-ouweneelRelaties tussen homofiele personen van hetzelfde geslacht noemde Willem Ouweneel onlangs in zijn rijtje ‘veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’. John Lapré heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door de opmerking van Ouweneel. Het tweetal start deze week op CIP.nl een briefwisseling. In zes brieven kijken Lapré en Ouweneel in elkaars hart. Vandaag reageert Ouweneel op de openingsbrief van Lapré.

Hallo John,

Dank voor de vriendelijke openingsbrief die je hebt geschreven! Ik zie ernaar uit met jou van gedachten te wisselen, hoewel ik er tegelijkertijd tegenop zie; dat zul je wel begrijpen.

Na die ene ontmoeting destijds hebben we elkaar nooit nader leren kennen. Als mens bedoel ik. Sommigen zien jou misschien allereerst als ‘homo’, maar dat is net zo mal als dat mensen mij allereerst als ‘hetero’ zouden zien. We zijn allereerst mensen, en in ons geval zelfs broeders in Christus. In die hoedanigheid beginnen we deze gedachtewisseling.

Sommigen zien jou misschien allereerst als ‘homo’. We zijn allereerst mensen, en in ons geval zelfs broeders in Christus.

Ik ben dankbaar dat je happy was met eerdere uitlatingen van mij over homoseksualiteit. En nu stuitte je op die paar regels over dit onderwerp in mijn column over die tien ‘dwalingen’. Ik geef toe, John, dat was nogal kort door de bocht. Dat heb je als je tien thema’s even in een paar regels probeert samen te vatten. Let wel, het stuk ging over theologische dwalingen. Het ging niet primair om de homo-broeder of -zuster die worstelt met zijn of haar seksuele gevoelens. Het ging mij om de manier waarop sommige mensen homorelaties theologisch proberen te verdedigen. En daar komt dat begrip ‘wishful thinking’ om de hoek kijken. Dat komt nóg twee keer in het stuk voor, en wel bij de alverzoeningsleer en de vernietigingsleer. In alle drie gevallen kan men niet duidelijk afleiden wat de Bijbel erover leert – de Bijbel spreekt niet over de homofiele medemens – en ‘dus’ doet men een beroep op wat men over God meent te weten. Een vierde voorbeeld is ‘de vrouw in het ambt’. Steeds hoor je: ‘Ik kan mij niet voorstellen dat God (iemand eeuwig zou straffen, of iets tegen homorelaties of de vrouw in het ambt zou hebben).’ Dat is de ‘dwaling’. Men ontwerpt zich eerst een God naar eigen smaak en voorkeur, en dan trekt men uit dat zelfontworpen Godsbeeld allerlei conclusies.

Je hebt volkomen gelijk, John, de Bijbel zegt niets voor of tegen relaties van liefde en trouw tussen mensen van gelijk geslacht. Dat moet ons heel voorzichtig maken om al te krasse uitspraken te doen. Toch schrijf je ook: ‘ik geloof dat het bijbelse huwelijk het huwelijk is tussen een man en een vrouw’. Dat is de normale orde der dingen. De geslachtsorganen zijn in de eerste plaats ontworpen opdat mensen zich zouden voortplanten. God schiep de mens in twee edities: mannelijk en vrouwelijk, opdat de mens zich zou ‘vermenigvuldigen’ (Gen. 1:26-28). Daarom heb ik ook moeite met mensen die trouwen en besluiten geen kinderen te ‘nemen’ (anders dan om medische redenen). Maar los daarvan: als je zelf zegt dat het bijbelse huwelijk een man/vrouw-huwelijk is, ben je dan toch niet bezig de Bijbel naar je eigen verlangens toe te praten (om jouw eigen woorden te gebruiken)?

Het is als seks vóór het huwelijk: we willen zo graag, en daarom kunnen we ons niet voorstellen dat God er iets op tegen zou hebben…

Laat ik eerlijk zijn, John, ik vind het lastig om met jou over dit thema te discussiëren. Niet om theologische redenen, maar omdat ik zelf al 51 jaar een gelukkig getrouwde hetero ben. Ik heb makkelijk praten. Maar wat moet ik zeggen tegen iemand die homogevoelens heeft en vurig verlangt naar – inderdaad – een ‘relatie van liefde en trouw met iemand van hetzelfde geslacht’? Ik heb de vraag al vaak gekregen, dat snap je. Soms heb ik tegen zo iemand gezegd: ‘Ik ga jou niet vertellen wat jij “moet” doen of laten. Ik kan alleen zeggen dat, als ik geboren was met homofiele gevoelens, ik de kracht zou wensen te ontvangen een celibatair leven te leiden.’ Maar zelfs dát antwoord kan mijzelf natuurlijk niet echt bevredigen, want ik bén nu eenmaal geen homo. Misschien is het wel net zo onmogelijk zulke dingen te zeggen als te zeggen: ‘Als ik een vrouw was, dan…’

Toch blijft staan dat ik homorelaties niet kan inpassen in wat de doorgaande lijn van de Bijbel is als het om het huwelijk gaat. En eigenlijk ben je het daar in principe mee eens. Maar in de praktijk… Dáár ligt de moeilijkheid. Daar belanden we in een ethisch ‘niemandsland’, waar de meningen zeer uiteengaan. En waar ‘wensdenken’ wel degelijk een rol kan spelen. Het is als seks vóór het huwelijk: we willen zo graag, en daarom kunnen we ons niet voorstellen dat God er iets op tegen zou hebben…

Hier laat ik het in eerste instantie even bij, John. Ik ben benieuwd naar je reactie!

Gods zegen!

Willem J. Ouweneel

2 reacties

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

John Lapré schrijft brief aan Ouweneel: ‘Ik was verbaasd over je column’ | brief 1/6

john-lapré-en-willem-ouweneelRelaties tussen homofiele personen van hetzelfde geslacht noemde Willem Ouweneel onlangs in zijn rijtje ‘veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’. John Lapré heeft als homoseksueel een relatie met een andere man en voelde zich aangesproken door de opmerking van Ouweneel. Het tweetal start deze week op CIP.nl een briefwisseling. In zes brieven kijken Lapré en Ouweneel in elkaars hart. Vandaag trapt Lapré af.

Beste Willem,

Het is alweer ruim twee jaar geleden dat wij elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een studieavond in Utrecht over homoseksualiteit. Fijn om elkaar toen even in de ogen te hebben gekeken. Vele jaren ervoor kwam ik al in aanraking met meerdere van je boeken. God heeft je boekje ‘Geloofszekerheid’ in 2006 voor mij gebruikt om voor het eerst het evangelie écht te begrijpen. Ik beschouw dat jaar als het jaar waarin mijn belangrijkste levensveranderende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Het jaar van de metanoia, een rigoureuze verandering van denken, waarbij ik stopte nog langer in mijzelf te graven hoe voor God voldoende aanvaardbaar te kunnen zijn, maar buiten mijzelf ging kijken, naar het volbrachte werk van Jezus aan het kruis.

In het licht van wat je eerder over homoseksualiteit schreef, was ik verbaasd over je column met de titel ‘Tien veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’.

Jaren later, toen ik een weg zocht hoe in de praktijk van alledag om te gaan met mijn homoseksuele gevoelens, stuitte ik op je boek ‘Seks in de kerk’. Daarin schrijf je een hoofdstuk met de titel ‘Homofilie en homoseksualiteit’. In het boek trek je dezelfde conclusies als tijdens de studieavond in Utrecht. Over de – wat ik noem – ‘homoteksten’ in zowel het oude als het Nieuwe Testament, zei je: “De bijbelteksten die ik ken, gaan over reliseks en staan in het kader van afgodendienst, met alle ontucht die daarbij hoort. En dat mag je wel ontzettend voorzichtig maken. Je kunt een broederhomo of -zuster niet erger op het hart trappen dan om Romeinen 1 voor te lezen, alsof hij in die categorie thuishoort. Of Leviticus 18, of Leviticus 20 of zelfs Sodom en Gomorra.”

Die oproep tot voorzichtigheid voelde voor mij als een heel terechte, warme oproep, daar waar in de kerk helaas te vaak met een beroep op een enkele bijbeltekst lhbt’ers zijn uitgezwaaid. Tegelijkertijd zei je op de studieavond over mensen van hetzelfde geslacht die zich duurzaam aan elkaar willen verbinden: “Ik geloof niet dat dat Gods bedoeling van het huwelijk is. Maar aan de andere kant: geef er maar eens een bijbeltekst voor. (…). U zegt aan het einde van de avond: ‘Nu weet ik het nog niet.’ Nou gefeliciteerd, dat is ook precies de bedoeling. Ik weet het ook niet.”

Terecht trok je je conclusie dat homorelaties niet Gods bedoeling van het huwelijk zijn na lezing van de grote lijnen in de Schrift, waar je op basis van een specifieke bijbeltekst niet tot die conclusie kunt komen. Toch kwam je tot de oproep voorzichtigheid te betrachten in onze eindoordelen. In mijn boek ‘Een kerk die knielt’ spreek ik in dat verband over het beoefenen van de kunst van het niet-weten.
Het was en is een zoeken en dat geldt voor iedere christen, hetero én homo, die serieus werk wil maken van de christelijke ethiek in zijn of haar leven.

Je zegt toch eigenlijk dat jouw visie op het huwelijk c.q. seksuele relaties de juiste en/of beste is en dat afwijkende visies gegrond zijn in ‘hij/zij praat de Bijbel naar eigen verlangens toe’?

Ik moet eerlijk zeggen dat ik, in het licht van wat je eerder over homoseksualiteit hebt gezegd en geschreven, verbaasd was over de column die je in juni schreef met de titel ‘Tien veelvoorkomende theologische dwalingen in christelijk Nederland’. In die column staat: “De leer die huwelijken c.q. seksuele relaties tussen homofiele personen van hetzelfde geslacht goedpraat. Een ander voorbeeld van wishful thinking: men wil graag dat het zo is (want men kan zich niet voorstellen dat God…), en dus is het ook zo.”

Waar is hier de door jou bepleite voorzichtigheid? Is de relatie van liefde en trouw die ik heb met mijn partner Lionel het resultaat van wishful thinking? Laat helder zijn: ik geloof dat het bijbelse huwelijk het huwelijk is tussen een man en een vrouw. Toch zie ik ruimte voor een helper tegenover mij, onder andere omdat de Bijbel (ook Jezus niet) niets zegt over relaties van liefde en trouw tussen mensen van gelijk geslacht. Daar kan je over van mening verschillen, maar is het terecht om mij dan het etiket ‘wensdenker’ op het voorhoofd te plakken? Daarmee zeg je toch eigenlijk dat jouw visie op het huwelijk c.q. seksuele relaties de juiste en/of beste is en dat afwijkende visies gegrond zijn in ‘hij/zij praat de Bijbel naar eigen verlangens toe’? Doe je daarmee recht aan lhbt’ers die biddend hun weg zijn gegaan en nu gelukkig zijn met hun partner en in het mooiste geval samen God mogen dienen met hun leven?

Zomaar wat vragen, Willem. Ik praat er graag met je over door.

Hartelijke groet,
John Lapré

3 reacties

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk

Gedragscode homopastoraat voor christenen kan stap in de goede richting zijn

Foto John september 2019Column voor het Christelijk Informatie Platform, 17 juni 2020

Het zal niet veel mensen ontgaan zijn: kerken die pastorale zorg bieden aan lhbti’ers krijgen een gedragscode. Om dat te bereiken heeft het kabinet het Humanistisch Verbond gevraagd een eerste concept te schrijven, welke uitvoerig zal worden besproken in kerken en andere religieuze instellingen. De kritiek is niet van de lucht.

Zo zegt Arjan Baan, één van de initiatiefnemers van de Nederlandse versie van de Nashvilleverklaring, in een interview met dit medium dat Nederland door inmenging van de overheid een controlestaat dreigt te worden. En zo stelt de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad dat het niet moeilijk is om de kern van de gedragscode alvast in te vullen. Dat zal namelijk overeenkomen met de Liefdesverklaring, die het Humanistisch Verbond in reactie op de Nashvilleverklaring schreef.

Ik vind de zet van het kabinet ook maar vreemd. Los van de vraag of de waarden van het Humanistisch Verbond worden gedeeld of niet, ik was er vooral over verbaasd dat er kennelijk een soort ‘motie van afkeuring’ jegens kerken en instanties (lees: bijbelscholen, conferenties en bootcamps) geldt. Alsof deze kerken en instanties niet zelf met een (concept) gedragscode aan de slag kunnen en deze uitvoerig zowel intern als extern kunnen bespreken. Ik juich zulke processen (niet opgelegd, maar vanuit intrinsieke motivatie) van harte toe, omdat ik geloof dat het dienstig is om goed en zorgvuldig na te denken over wat toch als een heel gevoelig thema wordt ervaren. Zijn kerken dus niet zelf bij machte? Ik dacht het wel!

Daarnaast: is het überhaupt wijs om een vereniging die vermoedelijk weinig tot geen feeling heeft met de context waarin een bepaalde kerk zich beweegt en manoeuvreert te laten bedenken wat die kerk moet vinden, zonder in allerlei nietszeggende algemeenheden te vervallen? Dat is hetzelfde als dat de Partij voor de Dieren wordt gevraagd om te bepalen hoe Forum voor Democratie met haar leden om moet gaan. Dat is waanzin natuurlijk. Dat kan Forum prima zelf! Overschrijdt zij de wet in de behandeling van haar leden, dan zal zij zich na aangifte en vervolging moeten verantwoorden bij de rechter. Zo werkt ons democratische systeem. En dat systeem werkt goed. Daar is geen symboolpolitieke actie voor nodig, een actie waarmee de mensen om wie het draait uiteindelijk niet zijn gediend.

Nog even over dat interview van dit medium met Arjan Baan. Nadat Baan zijn mening ventileert dat door de inmenging van de overheid richting kerken Nederland langzaamaan zal veranderen in een controlestaat en dat daardoor zelfs vervolging en uitsluiting van christenen kan worden veroorzaakt, gaat hij in op -wat hij noemt- ‘een botsing tussen twee groepen christenen’. De ene groep christenen (‘de meeste christenen’) neemt het gezag van de Schrift niet langer meer serieus en buigt daarom makkelijk mee met de visie van de overheid op het gebied van rolpatroon man/vrouw, homoseksualiteit en genderdysforie. De andere groep christenen is ‘een groep christenen die gelooft dat God zeggenschap heeft op álle terreinen van het leven, ook op het gebied van huwelijk, gezin en seksualiteit’. Baan spreekt van een botsing tussen ‘de postmoderne/oecumenische stroming en de conservatieve/Bijbelgetrouwe stroming’. Als voorbeeld van een periode waarin de clash tussen deze twee stromingen duidelijk naar voren komt, noemt hij de periode na de publicatie van de Nashvilleverklaring. Hij zegt: ‘Bijbelgetrouwe christenen, die zich verbonden weten met de inhoud van deze verklaring, verlangen oprecht het gezag van Gods Woord vast te houden en het Woord niet in te vullen conform de gevoelens van de publieke opinie.’

Het is van belang om notie te nemen van de scherpe scheiding die Baan niet zozeer benoemt maar eerder creëert. Aan de ene kant is daar de bijbelgetrouwe groep die zich verbonden weet met de inhoud van de Nashvilleverklaring. Aan de andere kant is daar de postmoderne/oecumenische groep, de groep christenen die die bijbelgetrouwe groep christenen steeds meer zal framen als ‘onverdraagzaam, onmenselijk, hard en liefdeloos’. Baan schaart zichzelf onder de bijbelgetrouwe groep christenen. Wat hij zich daarbij realiseert en waarbij hij geen seconde terughoudendheid ervaart om het te zeggen, is dat de andere groep kennelijk niet-bijbelgetrouw is. De groep die zich niet verbonden weet met de inhoud van de Nashvilleverklaring en wellicht elders kanttekeningen plaatst bij wat door het zogenaamde bijbelgetrouwe kamp wordt geleerd, wordt zo van een etiket voorzien waarmee velen van hen geen recht wordt gedaan. Dat is zorgelijk. In mijn ogen is het anti-evangelisch en onnodig polariserend.

Dan nog iets over Heart Cry zelf, de stichting waar Baan directeur van is. De vraag wordt hem gesteld hoe er bij Heart Cry voor wordt gezorgd dat iemand met homoseksuele gevoelens in een veilige omgeving en in vertrouwen pastoraal begeleid wordt. Baan reageert met: ‘Er wordt geluisterd, zonder veroordeling en er wordt gekeken wat de hulpvraag is. Er zijn bij Heart Cry verschillende mensen die pastoraat verlenen.’ Een van deze mensen ken ik. Het gaat om een man van wie wordt beweerd dat God zijn homoseksuele gerichtheid heeft veranderd in een heteroseksuele gerichtheid. Hij is op dit moment getrouwd met een vrouw. Op verschillende podia heeft deze man (op verzoek van de Stichting) zijn verhaal verteld, hoe God hem heeft bevrijd van zijn homogevoelens.

Naast dat ik twijfel aan de waarachtigheid van dit getuigenis, vind ik het niet goed om mensen op podia te tillen die vertellen over bevrijding van homogevoelens, zoals anderen op dezelfde podia vertellen hoe ze zijn verlost van porno, jaloezie of ongeloof. De intentie zal ongetwijfeld zijn om God groot te maken, maar de uitwerking is (ook) een andere, een mogelijk destructieve. Wie ernaar luistert, kan met zijn of haar homogevoelens het gevoel krijgen verlost te moeten worden, net als de pornoverslaafde, de jaloerse zus of de ongelovige buurman.

Er is een reden dat Stichting Heart Cry mensen doorstuurt naar Stichting Different en zich goed kan vinden in de leer van Leanne Payne (tijdens mijn therapie bij Different kreeg ook ik materiaal van Payne mee). In Payne’s boek ‘Het gebroken beeld’ worden vele voorbeelden genoemd hoe door de kracht van de Heilige Geest en ‘genezend gebed’ mensen de weg kunnen terugvinden naar ‘werkelijke seksuele vrijheid’. Bij Heart Cry wordt veel in het werk gesteld om gebrokenheid door God te laten helen, om homo’s om te vormen tot hetero’s. Lukt de transformatie niet, dan staakt Heart Cry de inspanningen en zal de homo worden geleerd ‘in vreugde en vrede’ te leren leven met de gevoelens… ‘Te leren leven’, hoort u het goed? Alsof je met een pijnlijke hernia de gang door het leven maken moet.

Mede gezien de ervaringen in het verleden zou de overheid er goed aan doen om organisaties als Heart Cry te verplichten op papier te zetten hoe zij met geheimhouding in praktische zin om wensen te gaan. Als de visie van Heart Cry is om hetgeen als zondig en oneervol wordt beschouwd ‘in het licht’ (lees: naar buiten) te brengen, dan moet dat duidelijk worden. Dan is het voor lhbt’ers helder met wie zij in zee stappen.

Een gedragscode kan daar vast bij helpen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk, Maatschappij

Vreugde in de kerk van de kwetsbaren

Symposium ERV 210418Op uitnodiging sprak ik vorig jaar op een symposium ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Evangelische Roze Vieringen (ERV) in Amsterdam. Het thema was: ‘Christelijke lhbt’ers: geloven op een kruispunt’. Het is voor niet-heteroseksuelen niet altijd even gemakkelijk om hun geaardheid met kerk en geloof te verenigen, mede door invloeden vanuit de omgeving. In mijn toespraak ging ik in op de vraag of en hoe lhbt’ers verbinders kunnen zijn in het maatschappelijke debat over geloof en homoseksualiteit.

Een aanzienlijk deel van de bezoekers van de ERV heeft pijnlijke ervaringen van uitsluiting en marginalisering in de kerk achter de rug. Tijdens de vieringen van de ERV ervaren zij warmte, veiligheid en het gevoel er te mogen zíjn. Ik hoorde het verhaal van een man die na lange tijd weer een geloofsgemeenschap opzocht, in een viering van de ERV belandde en volledig brak bij het horen van het lied ‘Welk een vriend is onze Jezus’. Hij liet zijn tranen vrij stromen, voelde dat hij thuiskwam.

Aan het symposium namen zo’n zestig mensen deel. Met een deel van de aanwezigen heb ik een gesprek kunnen voeren. Na mijn toespraak kwam een man huilend naar mij toe. Hij zei: ‘Wat je zei, raakt me diep. Er is zoveel herkenning. Wat kan het verleden je soms achtervolgen. Maar als ik dan hier om me heen kijk, zie ik hoe goed het leven is.’

Op de terugweg naar huis liet ik alles nog eens rustig op me inwerken. Ik was opgetrokken met een groep kwetsbare mensen die geen stand had hoog te houden en van wie niemand zich als slachtoffer gedroeg na alles wat hem of haar ten deel was gevallen. Integendeel, ik maakte deel uit van een veerkrachtige gemeenschap, waar het ongetwijfeld ook niet altijd pais en vree is, maar die haar gezamenlijke missie vond in het verlangen om het goede te zoeken en een positief verschil te maken in een soms kille wereld. Het was voor mij een grote vreugde daar deelgenoot van te mogen zijn. Er was verbinding en het gevoel bij elkaar thuis te zijn in een gezonde en positieve atmosfeer. Er werd gesproken en geluisterd, gegeven en ontvangen, weersproken en aangevuld. En dat alles in harmonie.

Vreugde. Ik geloof dat dát woord duidelijk maakt wat voor gevoel je krijgt als je de kwetsbaarheid in een ander hebben gezien. Zijn het niet de mooiste avonden als je gesprekken voert van hart tot hart en anderen je in vertrouwen toelaten tot een wereld waar heel veel mensen geen weet van hebben? Soms zie je een traan, een ontroerde blik, staar je in stilte in de vlammen van een kampvuur. En dan weet je: hier raak je de kern. Wat kun je je dan gelukkig voelen.

Wie mag delen in de traan en de lach van de ander, is een rijk mens. Kwetsbaarheid bewerkt verbinding en verbinding bewerkt vreugde en voldoening, juist omdat we zien dat de ander meer is dan zijn of haar omstandigheden. Naast je zit een prachtig mens die misschien het nodige te verstouwen heeft in het leven, maar die desondanks de moed heeft zijn kwetsbare ik te géven. Dat is dapper, getuigt van veerkracht en spreekt van hoop. Je ziet een mens, kostbaar en mooi – en je prijst je gelukkig hem of haar te hebben ontmoet.

De kwetsbaarheid van de ander appelleert aan de uitdagingen waarvoor we ons in onze persoonlijke reis door het leven gesteld zien. Wie zo in de ander zijn gelijke ontmoet, zal door de onderlinge herkenning het feest van de verbondenheid vieren.

Een geloofsgemeenschap is geen gemeenschap zonder deze verbondenheid; ze zal aanvoelen als een ijskast, al beschouwt de groep zich op alle punten ‘recht in de leer’. Ik maak liever deel uit van een warme gemeenschap waar men omziet naar elkaar en het leven deelt en viert, dan van een kille gemeenschap waar alles dogmatisch tot in de puntjes geregeld is. Ik ben aan het eind van mijn reis liever te genadig geweest dan dat ik anderen heb weggejaagd met mijn beroep op de waarheid.

Misschien is de vreugde in de kerk van de kwetsbaren in haar soort wel het zuiverst. Die vreugde is niet op afroep beschikbaar, maar vloeit automatisch voort uit de veilige context waarin kwetsbaarheid getoond kan worden. Veiligheid bewerkt een onuitsprekelijke vreugde, een die doordringt tot diep in je hart, tot diep in je vezels, tot daar waar je je geborgen en onaantastbaar voelt. Ik geniet er altijd erg van als ik kijk naar iemand die opgaat in de dynamiek van een moment, als ik een traan zie, als de ander zijn armen uitstrekt naar de hemel en God prijst. Zo iemand weet zich veilig en kan zich daarom geven. Zo iemand raakt het leven, daar waar het in essentie om gaat: gekend worden en zich gezien weten. Ook als dat minder uitbundig gaat, als iemand in stilte zijn hoofd buigt en een glimlach het gezicht siert. Alsof een kille wereld plotsklaps wordt opgewarmd. Ja, door het kleine, dat wat in het licht van het grote geheel misschien van weinig betekenis lijkt.

Laten we nooit te klein denken van het kleine; een enkel gebaar van vriendschap geeft handen en voeten aan het koninkrijk van God. Dat is groots, iets wat je nauwelijks op de juiste waarde kunt schatten.

Passage uit ‘Een kerk die knielt – pleidooi voor nederigheid’ (2019)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek - De veilige kerk